Skip to content
1869

Verspreide en nagelaten gedichten

Johan Michael Dautzenberg

De ommegang.

Een ommegang op golvenden velde, Hetzij aan Rijn, aan Maas of Schelde, Biedt geurende bloemen, die nimmer verslensen, Den ooge, den harte des denkenden menschen.

Het wormpjen wil den Schepper eeren, Der schepping pracht met kransen vermeeren! Doch wat er geschiede veur 't opperste Wezen, Het wordt door kinderharten geprezen.

Een kind, om zijnen vader te smukken, Mag in diens gaarde bloemen plukken, En kiezen zelfs van allen vruchten Die zijner eigene zielgenuchten.

En brengt het soms een lied of dichtjen, Dan schijnt het nauw een wassen lichtjen Bij 's dages alverdoovender bronne: Een wassen lichtjen aan der zonne!

De jongling met den blakenden oogen Stapt zedig en zalig opgetogen. Zulk licht in der hand en vuur in den boezem, En om hem alomme loover en bloesem.

En in der maagdenschare midden Den schoonsten engel vroom zien bidden, Zou zulk een schouwspel u niet treffen En van der aarde ten hemel heffen?

De looverhut en het tabernakel, Wat rijk verbloemde liefdeschakel! Dan op des veldes scheidewegen Des ouden herders heilige zegen.

Alom zijn kronen opgehangen: Hier dringen luide godgezangen Door geurig klimmende wierook wolken Als reine, dankbare volkestolken.

Gij hebt het gezien, het heugt u zeker, En maakt u den boezem teêrder en weeker; En voert ge u de aarde zóó voor de zinnen, Gij zult ze naar waarde schatten en minnen.

Gij zult geen schepsel pijnen of grieven, Den Schepper om het geschapene lieven. Processiebloemen, die nimmer verslensen, Veur 't oog en het hart des denkenden menschen!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Verspreide en nagelaten gedichten · Johan Michael Dautzenberg · Poetry Cove