II.
Evenredigt uwe aalmoezen naar den stand des behoeftigen.
Hoog en vermaard bij den volke van Israël stond Mar-Ukba,
Want bij wijsheid en kunde bezat hij ook goedren en rijkdom.
Niemand wist zoo wel als Mar-Ukba dien schat te gebruiken.
Weldoen was zijn genoegen, de vreugde der armen de zijne.
Jareliks zond hij den dag voor den heiligen dag der verzoening
Eenen behoeftige twintig talenten, 't gebeurde nu eenmaal,
Dat die schittrende gift door den zoon aan den arme gebracht werd
Als hij terugkwam sprak tot den vader, berispend, de jongling,
Dat zijne aalmoes eenen onwaardigen manne te beurt viel.
‘Zeg me hoe dat?’ sprak spoedig de vader. - ‘Ik zag dien beschermling,
Dien gij zoo arm waant, die van giften te leven beschaamd is,
Zag zijn gezin wellevend bij wijn en kostliken spijzen.’ -
‘Waarlik!’ zei Mar Ukba, de teeder beleerende vader:
‘Die onzalige had weleer veel betere dagen,
En ik begrijp niet, hoe hij, verwend, met dier gifte nog uitkomt.
Draag hem dit geld nog, 'k schenk hem in toekomst dubbele hulpe.’