III.
Gamaliël en zijne gasten.
Vader Gamaliël hield veur den zoon de gezegende bruiloft. Rabbi Eliezer, Zadig en Joshuah zaten aan tafel. Rijk en geacht bij den volke van Israël leefde de feestwaard, Welke met eigener hand de genoodigden wilde bedienen. Vol wijn schonk hij 'nen beker en bood hem Eliezer vriendlik. Deze verweigert den drank, dien Joshuah hoffelik aanneemt.
Rabbi Eliezer vroeg: ‘Vriend Joshuah, mogen we als dienaar Onzen geprezenen waard aanzien en vergeten den afstand?’
Joshuah sprak: ‘In waarheid, kens du den grooteren man niet, Welke dus deed? Was Abraham niet zoo verheven als hij is?
En nogtans - hij bediende de gasten; er staat ja geschreven: “Ende hij, Abraham, stond bij hun en zij aten.” Geloofs du, Dat hij zoo deed, hen erkennend als Engelen? Neen, hij vermoedde, 't waren arabische reizers: hij hadde hun anders geen water Ter voetwassching geboden, noch spijzen den honger te stillen. Moeten we, denkt ge, den waard nu hindren te volgen dat voorbeeld?’ -
‘Immers ik ook,’ viel Zadig in 't woord, ‘ken grooteren iemand Dan aartsvaders, en die aldageliks evenzoo handelt. Zal men des Scheppenden glorie vergetel, de schepselen loven? God doet waaien den wind, en verzamelt in wolken den regen, Die onze aarde bevrucht, en bereidt den schepselen allen Dageliks brood: Zijn naam zij geloofd in eeuwigen tijden! Waarom zou men verhindren den waard zoo te doen als de Heer doet?’ Zoo sprak Zadig de wijze op 's jongen Gamaliëls bruiloft.
Cookies on Poetry Cove