Gebed.
Gij, die met zegening de dagen Van al wat ademt gul voorziet, Laat nooit den mensch, Uw beeld, versagen, O goede God, verlaat ons niet!
In veur- zoowel als tegenspoede Genaken wij tot U, o Heer, Wij knielen in den overvloede Des oogstes, Vader, voor U neer.
Het onweer dreigt ons uit den hoogen, En volgt de wenken Uwer hand, O Heere, zie ons diep gebogen, Erbarm U over Belgenland!
Gij, die met zegening de dagen Van wat hier ademt gul voorziet, Laat nooit den mensch, Uw beeld, versagen, O goede God, verlaat ons niet!
De frissche hoop herleeft, de vreeze moet gebannen, Weer is het lieve blauw daarboven uitgespannen; De zoete vogelzang herdreunt in heg en haag, En 't helle zonnegoud zijgt weder naar omlaag.
De kleine maaierschaar langzaam ten dorpe nadert. Waar ons de klok der kerk ter aandacht vaak vergadert. Thans klinkt een vluggere toon in 't oor van knaap en meid, Die springen opgeruimd naar lust en vroolikheid.
De laatste wagen rolt al tot der schure henen En dra is op den dans en oud en jong verschenen. Bejaardheid zetelt graag; de jonkheid blijft te been, Zij vieren saam den oogst en juichen hoog tevreên.
Cookies on Poetry Cove