III.
't goud van den velde verzwond. Koel blaast uit noorden en westen De allesontloovrende herfst. Nog siert fruit appel- en peerboom. De aarde besluit veur menschen en dieren nog kostliken voorraad. Rijkdom heerscht alom bij den weinig behoevenden landman. Veel kerktorens verkonden met vaandel en klokke de kermis. Jubelend toont zich de vreugd, wen kelder en keuken gevuld zijn; En wie gunt niet den werker, die slaaft veur 't menschlike welzijn, Dat ook hij zich eens lave aan der koestrende bronne der blijheid? Straks, ja, herwint hij het veld en zaait overwinterend koren, Na alvorens den akker met zorge te hebben bearbeid.
Eenmaal nog keert leven terug in het veld en den boomgaard, Eer de verkleumende koude alleen heerscht over het aardrijk. Gij, die moê zijt in den gewoele eentoniger stadvreugd, Kiest den bekoorliksten dag in der bonte, verlokkende wijnmaand, Trekt veldwaarts en beschouwt het gewemel van honderden groepen, Samengesteld uit vaderen, moederen, knapen en maagdlijns. Genen met spade of vork opdelvend de voedende nachtscha, Dezen met vlijtigen handen in korven vergarend de knolvrucht, Allen verblijd, dat God zich als lievenden vader getoond heeft. Karren en wagens geladen met beeten, met rapen en wortlen Brengen den weligen schat in veiligheid tegen den winter.
Laat gij het veld daar, werpt gij den blik op hof en op weigrond, Waarlik, dan vindt gij er ook weer menigerhande verlusting. Kinderen wroeten en zoeken, of soms van den machtigen nootboom Eene vergetene gave verholen niet drong in het nagras. Jongetjens, die door appel en peer zich laten bekoren, Klimmen, met vaders verlof en der moeder herhaalde vermaning, Op breedarmige boomen, en plukken wat in hun bereik valt, Schudden met armen en voeten de verafhangende vruchten. IJvrig vergaren de zusters het fruit veur komende vlâspijs, Of veur appelazijn en zinnenbedwelmenden ooftdrank, Of veur 't kostlike zeem zoo geschat door snoeprige bekjens.
Iedere landarbeid heeft zóó zijn streelend vooruitzicht, En de tevredenheid troont bij voorkeur ver van den stadswal,
Waar een oneindig misnoegen, gebaard uit haat en uit afgunst, Steeds omwentlingen wenscht in alles, wat heilig en recht is.
Cookies on Poetry Cove