VI.
Ik hoor niet meer den koekoek roepen
Ik liep als kind langs heg en bosch
Om 't vogelkoor te hooren fluiten,
En bleef om nesten van wol en mos
Vaak heele dagen buiten.
Het is heilgenucht
Voor jonge troepen
In der lentelucht
Den koekoek te hooren ‘koekoek’ roepen!
Sinds is zoo menige lente en mei
Met zang en klank voorbijgetogen,
Ook is de gansche jeugdige rei
Naar alle winden uitgevlogen.
Ik herinner mij
Ons beziesnoepen,
Denk droef er bij:
‘'k hoor dra niet meer den koekoek roepen