IV.
De storm is bedaard, de wind is in rust,
Dank den verzachtenden regen;
Weer wordt er gevrijd, weer wordt er gekust,
En 't beste blijft verzwegen.
Aan elken tak, waar een paarken op zit,
Hangt perelend vocht bij voedsel;
De vinkenbijter steekt aan 't spit
Keverkens veur 't gebroedsel.
De zonne stort weer stroomen van goud
Op welvende beukenkronen.
En schijnt te ritslen op 't lagere woud,
Waar nachtegalen wonen.
Elk plekjen, waar heur goud op valt.
Verheerlikt een liefdetafreeltjen,
De schittrende vlinder speelt er en malt
En schetst er zijn telingstooneeltjen.
De storm is bedaard, de wind is in rust,
Dank den verzachtenden regen;
Weer wordt er gevrijd, weer wordt er gekust,
En 't beste dient verzwegen!