II.
Ten woude komt 'ne pelgrimschaar
Van over de zee gevlogen,
Die betershalve, vorig jaar,
Naar 't zuiden was heengetogen.
Ons woud is hun geboortegrond,
Daar hing hun nestjen teeder,
Daar vlochten ze 't eerste minneverbond.
Daar komen zij telkens weder.
Nu fluisteren zij op hunne wijs
Van wat ze in Egypte zagen,
En van der streek, waar 't paradijs
Eens school in bloemenhagen.
De Mei ontvouwt aan olm en eik
Duizend miljoenen vlagjens,
Er klinken door heel het woudbereik
Allerlei schaterlachjens.
Eenstemmig juicht het zangerkoor
En tuigt met klinkender reden:
De hof, dien Adam ginds verloor,
Hergroent hier weer als Eden.