V.
Geslachtloos is de honigbij
En ook het vlijtige mierken;
Doch hij, die huist in monnikspij,
Is als elk ander dierken.
De bij en mier met den monnik te gaar,
Twee vreemde, nijdige krachten:
De Rapheid, de Slapheid, wonderlik paar
In 's wandelaars woudgedachten!
De Schepper wilde den man niet alleen,
En evenmin de nonne:
Hij wilde maar paarkens hier beneen
In zijner liefdezonne.
Ik heb gedaan, wat den Heere beviel,
En koos me bij tijds mijn vrouwken,
Wij minnen elkander met lijf en ziel,
Blij rekkend des levens touwken. -
Men mag die dingen den woude maar
Stil fluisterend toevertrouwen,
Want stad en dorp, 't is zeker en klaar,
Hoorden zoo iets met grouwen.