Skip to content
1869

Verspreide en nagelaten gedichten

Johan Michael Dautzenberg

De kermis.

De stoet is binnen. In geurigen walmen Verklinken de statige orgelgalmen; En na den plechtigen dienst des Heeren Denkt oud en jong naar huis te keeren.

Hoe blinkt des landmans nederig dakjen, Hoe netjes kleedt hem 't zondagspakjen, Wat zoet gekruide kermisreuken Ontdampen heden zijner keuken!

De straten met den bloemenregen, De straten zelven lachen hem tegen; Der jonkheid vreugd en bont gewemel Geniet de bescherming van den hemel.

Het weder begunstigt alle reien, Die in den vrije spelemeien; De warmere straal der lente ontwikkelt De harten, welke de minne prikkelt.

Weldra vergaren trillende snaren De blijde knapen en meisjens tot paren, Viool en fluit verrukken de ooren Der levenslustige danserkoren.

Doch eerst aan tafel blij gezeten! De dorper heeft zijn kermiseten, Dat boomgaard, tuin en stal hem teelde, En wis wel eenen koning streelde.

Hier is niet alle dagen kermis, En wie het denken mocht, is ver mis; Doch kermis is het nooit aan hoven, Dies wil ik onze kermis loven.

Wij hebben gebraad met wild en gevleugelt En etenskracht door niets beteugeld; Wij kunnen 't genotene licht verteren, En zijn dus beter dan damen en heeren.

Wij kennen hof noch hofmanieren, Maar weten ons vreugdemaal te bestieren; Wij hoeven muziek noch zangers te dingen, Wij weten ons zelven vroolik te zingen.

Ook drinken wij ons eigen bierken: En geven om franschen wijn geen zierken; Vrij leve dies, na ploegen en zwoegen, Ons overheerlik kermisgenoegen!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.