II.
Hooger verheft zich en vuriger gloeit de almogende zonne; Over den weigrond, over het graanveld, over het bergwoud Spreidt zij purpergewaden of zalig verrukkenden goudglans. Lieflike wasems doorambren de lucht en betroovren de zinnen. Hemelsche zegen besprengde de tarwe, de rogge, de boekweit; En aardappels - de hope der armen - verbloemen den zandgrond. Wat in den name des Heeren op vruchtbaren akker gezaaid werd, Heft zich krachtig en welig omhoog in glansender volheid.
Maar thans lokt een tooneel, ver boven der hoofdstad schouwspel, Mijnen begeerigen blik tot den bloemigen beemden des pachthofs. Hier gaan maaiers aan 't werk, daar schudden of stapelen vrouwen.
't geurende hooi, ginds wordt het in busslen gevoerd naar de schure. Liederen klinken alom, want arbeid stemt tot verheuging.
Middag is 't, zulks kondt uit der verte de manende dorpklok. 't werkvolk legt de gereedschappen neer; zich kruisend met aandacht, Schikt het zich rond op het mollige groen tot den landliken maaltijd. Blijde gesprekken doorkruiden de eenvoudige boerengerechten; Blikken vol minne bejeegnen elkander, als ware 't bij toeval; Ook wordt soms vol geheimnis een kusjen geruild of een handdruk, Ja, eene eerste gedachte tot levensverbintnis onthaspeld. Wat zich de zomer te stoven gelast, meest komt het tot rijpheid, 's boomgaards vruchten zoowel, als der vrijeren liefdesontkieming
't hooi is nauwliks in mijten gehoopt of getast in der schelve, Of men slijpt alreede de sikkels ten wenkenden graanoogst. Hoopvol staart op zijn koren - de winste bereeknend - de pachter. Angstvol beeft hij bij 't zien witvlokkender wol aan den hemel: Donker en donkerder vormt zich welhaast een verschrikkelik onweer; Wolken verscheurende bliksems voorspellen nog aakliger schouwspel. Eindlik ontlast zich het zwerk, als waar 't de vernieuwing des zondvloeds. 't wordt nacht, droevige nacht veur den moedeloos wakenden landman! Biddende smeekt hij tot God om behouding Zijner geschenken.
Heen is de nacht, en de zonne vertoont heur vriendelik aanzicht, Schitterend straalt ze door frisschere lucht opbeurend de schepping.
Levendig wordt de vallei bij den klanke van sikklen en zichten; Lustig, ja, lustiger nog dan op het vermaaklike hooifeest, IJlt nu oud en jong waar het golvende koren hun toelacht. Onder der sikkelen staal valt de oogst: en behendige vrouwen Binden in schoven, of stellen in hoopen, of laden op wagens 't loon des bebouwers der aarde, en niemand denkt aan het rustuur. 't spreekwoord: ‘stelt tot morgen niet uit, wat ge heden nog doen kunt,’ Dient voortdurig den kloeken, verstandigen manne tot richtsnoer. Onstandvastig is 't weer, vooral in den vluchtigen oogsttijd, En het verzuim ééns dags bracht menigen immers verderf toe. Plant, wanneer gij het laatste des oogstes vervoert tot der schure, Plant den bevalligen mei op de hoogte des wagens en juicht blij, Want dan trekt ge gerust naar den vreugdeverbreidenden feestdisch.
Cookies on Poetry Cove