Uiltjen vangen.
Daar strekken zich de kloeke meiden
Op het stroo der gegrendelde schure -
Een uiltjen vangen zij, en beiden
De naderende arbeidsure.
Zij hebben van den vroegen uchtend
Op den akker de garven gebonden;
Zij hielpen, zweet noch zwoegen duchtend,
De maaiers zoozeer als zij konden.
Zij kregen als de kollebloemen
Het gezicht van der zonne geschilderd -
Nu deden ze eenen heilige doemen
En maakten den zachtste verwilderd.
Zoo lief en los als zij daar schuilen,
Zoo bekorelik als zij daar blozen,
Wie zou den hemel niet verruilen
O tegen zoo bloeiende rozen!
Daar turen door een luik twee valken
Naar de prettige sluimrende duiven -
Wie hadde gedacht, dat boersche schalken
Zoo gierden naar lijfjens en huiven?
En dat zij immer spieden zouden
Naar de schoone versluierde dingen?
En dat zij nimmer vlieden zouden,
Zoolang hen de driften bedwingen?
Nieuwsgierig is de wereld heden -
Des en wille ze niemand bekijven:
Men is 't in dorpen en in steden,
En 't zal zoo in eeuwigheid blijven.
Nieuwsgierigheid maakt mild en milder
En verhelpt de gelievekens samen -
Dat wist De Block, de knappe schilder!
Zoo is het, zoo zij het - en amen.