Skip to content
1869

Verspreide en nagelaten gedichten

Johan Michael Dautzenberg

Uiltjen vangen.

Daar strekken zich de kloeke meiden Op het stroo der gegrendelde schure - Een uiltjen vangen zij, en beiden De naderende arbeidsure.

Zij hebben van den vroegen uchtend Op den akker de garven gebonden; Zij hielpen, zweet noch zwoegen duchtend, De maaiers zoozeer als zij konden.

Zij kregen als de kollebloemen Het gezicht van der zonne geschilderd - Nu deden ze eenen heilige doemen En maakten den zachtste verwilderd.

Zoo lief en los als zij daar schuilen, Zoo bekorelik als zij daar blozen, Wie zou den hemel niet verruilen O tegen zoo bloeiende rozen!

Daar turen door een luik twee valken Naar de prettige sluimrende duiven - Wie hadde gedacht, dat boersche schalken Zoo gierden naar lijfjens en huiven?

En dat zij immer spieden zouden Naar de schoone versluierde dingen? En dat zij nimmer vlieden zouden, Zoolang hen de driften bedwingen?

Nieuwsgierig is de wereld heden - Des en wille ze niemand bekijven: Men is 't in dorpen en in steden, En 't zal zoo in eeuwigheid blijven.

Nieuwsgierigheid maakt mild en milder En verhelpt de gelievekens samen - Dat wist De Block, de knappe schilder! Zoo is het, zoo zij het - en amen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Verspreide en nagelaten gedichten · Johan Michael Dautzenberg · Poetry Cove