‘De Zonnebloem.’
‘Schoon Klytië haar oogen nooit
Van Febus stralen
Af laet dwalen,
Hij heeft in 't eind zijn' kring voltooid,
En de nacht bepaalt zijn' luister:
Maar uw oog blinkt zelfs in 't duister,
Galatheê! en mijn gezicht
Blijft daar eindloos op gericht.’