I
'k Hadde ongelyk, hiete ik u vitterkraaijen,
Ge waart me steeds zoo vriendelik als mild;
Ge zyt gewis geen gildepapegaaijen,
Al hebt ge saêm myn kunst omhoog gegild.
Uit dankbaarheid wil ik myn lof u zwaaijen,
Wen iedereen, zich ergrend, u bedilt;
Ik wil ter dege als troetelkind u paaijen,
En naast u staan met gulden lier en schild.
Beschermd door u waarvoor zou ik nu yzen?
Ge plaatstet my te midden uwer wyzen,
En noemdet my uw kunst- en dichtgenoot.
Ge ontnaamt my zelfs de vreeze voor den dood;
Ge dedet my, in wensch, ten hemel ryzen,
Om my van hier te zien in Abrams schoot!