Skip to content
1850

Gedichten

Johan Michael Dautzenberg

I

'k Hadde ongelyk, hiete ik u vitterkraaijen, Ge waart me steeds zoo vriendelik als mild; Ge zyt gewis geen gildepapegaaijen, Al hebt ge saêm myn kunst omhoog gegild.

Uit dankbaarheid wil ik myn lof u zwaaijen, Wen iedereen, zich ergrend, u bedilt; Ik wil ter dege als troetelkind u paaijen, En naast u staan met gulden lier en schild.

Beschermd door u waarvoor zou ik nu yzen? Ge plaatstet my te midden uwer wyzen, En noemdet my uw kunst- en dichtgenoot.

Ge ontnaamt my zelfs de vreeze voor den dood; Ge dedet my, in wensch, ten hemel ryzen, Om my van hier te zien in Abrams schoot!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gedichten · Johan Michael Dautzenberg · Poetry Cove