6.
Ik wil van uwe lieflykheit
By nacht' en dage zingen,
My zelven U, naar mooglykheit,
Met lust ten offer bringen;
Ik heb geen and're vreugdestof,
Myn leevensbeek zal uwen lof
All' oogenblik uitgieten;
En 't geen Gy hebt aan my gedaan,
Legt in myn hert, en zal voortaan
Tot uwaart weeder vlieten.