4.
Gy martelt Hem aan 's kruices stam,
Met nagels en met speeren,
Gy slagt Hem als een stemloos Lam,
En 't is de Heer der Heeren;
Nogtans stelt gy, met spot en hoon,
Voor elk Hem als een vloek ten toon,
Met uitgerekte armen;
O Godlyk Lam! wat zal ik dy
Vergelden daar voor, dat gy my,
Betoont zo veel erbarmen.