2.
Hoe wee is 't ons, zo lang wy zelver willen,
En ons gemoed geduurig houden voor,
Wat God verlangt, wat wy verrichten zullen,
En daarop dringen en door trachten dryven door,
Zo lang de zoete honig
Der Liefd', van onzen Koning,
't Hert niet heeft aangeroert,
Die gaarne maakt in 't binnenste haar wooning,
Als zy den ernst in 't hert naar boven voert.