2.
Dit Lam Gods is der Menschen Vrind,
Hun Heiland, en hun Diener,
Hem, hem heeft God, tot ons gezind,
Verkoren tot Verzoener;
Hy sprak, myn Kind, draag Gy de straf
Der kind'ren, die ik over gaf
Tot vloek- en toornes-roeden.
De straf is swaar, de toorn is groot,
Gy kont ze helpen uit den nood,
Door sterven en door bloeden.