3.
Onze Eigenliefd' heeft een zeer teder leeven,
De Mensche wil zo gaarne nog iets zyn;
Maar dan, dan word de vrye Geest verheven,
Wen z' alles geest aan God, en zelv' word klein.
O! laat ons niet meer zuimen,
Hem alles in te ruimen,
Die alles is en doet.
Wat willen wy nog van iets eigens droomen,
De zond' alleen die is ons eigen goed.