3. Over het kerkboek van Marnix uit 1591 Marnix van St.-Aldegonde (Brussel 1540 – Leiden 1598) begon zijn carrière als staatsman en streed aan de kant van de Oranjes tegen de Spanjaarden. In 1583 werd hij buitenburgemeester van Antwerpen en moest hij de stad verdedigen en onderhandelen met de hertog van Parma. Dit werd een jammerlijke mislukking: de stad viel in 1585 in Spaanse handen. Vanaf dat moment wijdde Marnix zich volledig aan zijn letterkundige werk. Marnix zette zich als eerste aan een complete psalmberijming ter vervanging van die van Dathenus. Daarbij vertaalde hij rechtstreeks uit het Hebreeuws; voor wat betreft de melodie hield hij vast aan de inmiddels ingeburgerde Franse melodieën van Marot en De Bèze. Het Boeck der Psalmen Davids verscheen in 1580 te Antwerpen. De digitale tekst hiervan is te vinden op de website van de dbnl. Marnix was echter niet tevreden over deze vertaling. Daarom herzag hij haar in het daaropvolgende decennium. In 1591 publiceerde hij de nieuwe vertaling onder de titel Het Boeck der Psalmen. Achter de psalmen nam hij een groot aantal lofzangen en gebeden op (veel meer dan in de eerste druk), gevolgd door de Heidelbergse Catechismus en de gebruikelijke formulieren voor doop e.d. en gebeden, die we – behoudens enkele aanvullingen en varianten – al kennen uit Dathenus, en die weggelaten zijn in deze digitale uitgave. De tekst van de psalmen en de oudtestamentische lofzangen waren opnieuw direct vertaald uit het Hebreeuws, terwijl de nieuwtestamentische lofzangen direct op het Grieks teruggingen. Dit was bijzonder omdat het in die periode in de Nederlanden nog gebruikelijk was om de bijbel te vertalen uit de Latijnse Vulgaat of uit de Duitse Lutherbijbel. De titelpagina van de tweede druk meldt dan ook dat de liederen gemaakt zijn ‘na der Hebreisscher ende Grieckscher waerheyt’. In dit opzicht was Marnix het grote voorbeeld voor de Statenvertalers.
Naast de berijmde vertaling heeft Marnix in de kantlijn een complete prozavertaling van de psalmen en de lofzangen gemaakt, die ook is opgenomen in de digitale editie. Hoewel de berijming van Marnix al door tijdgenoten hogelijk werd gewaardeerd, niet alleen omdat hij het Hebreeuwse en Griekse origineel raadpleegde, maar ook vanwege de literaire kwaliteiten ervan, is het niet gelukt hem in te voeren in de plaats van de berijming van Dathenus uit 1566, die inmiddels algemeen was geaccepteerd. Daarbij speelde ook een rol het feit dat Marnix zeer bewust koos voor de ouderwetse voornaamwoorden du en dijn, en voor sick, in plaats van de toentertijd al gebruikelijke vormen gij, uw en zich. De editie van Marnix uit 1580 verschilt zeer van die uit 1591. Als voorbeeld de teksten van de eerste strofe van psalm 1 in beide versies. 1580 Wie niet en treed’t inder god’loosen raet,
Oft op den wech der sondaers niet en staet Noch op den stoel der spotters is geseten, Maer heeft zijn lust in s’ Heeren Wet te weten, End’ ouerleght de selue dach end’ nacht,
Die mach terecht voor salich zijn gheacht. 1591 WEL salig is de man, die inden raet Van tgodloos volck om niemantds wil en gaet,
Noch op den wech der sondaers staet vermeten: Noch op den stoel der spotters is geseten. Maer zijnen lust heeft in des Heeren wet, End nacht end dach wel neerstich daer op let.
Cookies on Poetry Cove