2.
TEn eersten dacht'ick hoe ick volprysen,, mocht,
Vwen loff mijn Heere mijn Vrint verheven,
Oft hoe mijn Tonghe u toch bewysen,, mocht,
Dat ghy verdient hebt in dit tytelijck leven,
Voor al u schoon wercken die ghy hebt geschreven,
En met een soet vloeyende Vene ghedicht,
Waer door u den eeuwighen loff moet aencleven,
Want ghy met Godts Gheest wonderlijck sijt verlicht,
Dies ick van rechts wegen ben grootelijck verplicht,
V faem te verbreyden door al de VVerelt,, wyt.
VVant ghy met const eer en deught beperelt,, zyt.