Te singen op den trant van Doulants eerste Lachrimae.
I. ISraels Heyr! Israels Heyr! Ons Vader, Vader! ah! waar heen! En laat gy ons, uw arme Kudd' alleen Om slegts te klagen? Treurige Nagt! Stick-duystre nagt! Men tell' u onder d'andere niet, Als so een Ligt, so
klaar een Ligt verschiet, En swijmt in't dagen. Ah! dat ons' oogen maar Springen waren! om 't misbaar Nagt en dag // nagt en dag // Ah! ah! ah! Stadig in beklag Ah! ah! ah! ah! ah! Wt te jamm'ren nagt en dag! Nu is ons vreugd in traan, 't Vrolijck Psalmen al gedaan: Tranen sijn // Spijs en wijn // Tranen sijn D' eenige geneugt Daar ons siel nu vreugd Vind', en rampig sig verheugt. Wat Schoner Son was dees op d' eerde!
Wat lig aan d'eerde! En laas! en laas! eer 't middag wierd Sinckt al sijn weerde! Gepeynsen, (Siel) om sulcke ligten Sijn nieuwe schigten: So sy 't! so sy 't! want traan op traan Ons maar verligten. II. Daar legt de Croon! Daar legt de Croon Van Zyons hooft helas! in 't stoff: Daar breeckt die Gulde-mond sijn reden off, En swijgt in de aarde Mond, die een rots // Hard, stuyrs, sterck, trots, Vermalen cond als stof, tot heyl; Of harden, dat hy, 't masker of, en steyl Sig openbaerde. Mond, die het hert geroerd Door de saal'ge paden voerd', Als hy troost // 's Hemels troost, 's Hemels troost, 't Eyndelose soet, Uyt het Hemelsch bloed On-uytspreecklijck suygen doet. Als hy de deugden prijst,
Cundig leert; en cunstig wijst: Met een woord // Dat behoort // Al die 't hoort; Met een stage tred Deugde-waarts gesett, Wonder heylig, wonder net. Mond, daar de Geest zijn diere sugten On-spreeckbre sugten (Die 't hert doorsoeckt verstaat den sin) Door, uyt-wond-sugten: In woorden deftig, magtig, wigtig, Geest-rijck, voorsigtig, (Ah! dodig hert! dat niet meed ging!) En altijd stigtig. III. Daar legt de Croon! Daar legt de Croon Van Zyon, met dat hert, (dien spring Van wijsheyd) dat in ruym een omtreck ving Veel grote saken. Die volle borst! Die Zyons dorst Met duysent dingen in een uyr, Als yder 't sijn nam, cond met soet, en suyr So heylsaam staken. 't Verstandig breyn oh! oh! Altijd suyver van bedrog Dat te wagt // Dag en nagt // Dat te wagt Over Zyons stond, En genas haar wond Met raadslag van duysend pond. Die yder een te baat Komen cond, en woud, met raad: Die een stut // Die een cruck // Die 't geluck Was aan yder een Dien jaren, of ween, Of armoede t' siddren deen. De Buycken spijsen, naeckte leden Mededogend cleden
Had hier gena ten loon, maar nu Des Hemels steden. Was Kerck of ziel in nood, wy sagen De Maats herdagen, So wijs, so wis, so pal stond hy In alle slagen. IV. Weduwen stut // Der wesen schut, Der reddelosen toeverlaat, Die wijsselijck der hopelosen staat Wist t' onderschragen. Der Heyl'gen troost // Der Heyl'gen troost, Der Goddelosen schrick (als 't woord Begon, dat 's Hemels lieveling bekoort) Legt nu verslagen. Kerm bitter al wat leeft! Wat verstand van hermen heeft; Vriend uw raad // Weese uw baat // Kerk uw raad, Naackten uw gewaad, Vromen uw Cieraad, Of vermindert, of vergaat. Kerm Kindren Iong en teer, So een Leeraar leerd niet meer. Radeloos' // Reddeloos' // Hopeloos', Dien der menschen raad, Of Gods ligt verlaat, Kerm! want so een zuyl vergaat. Den eenen heuvel van ellende Laat sijn stem sende' Den and'ren toe, tot dat den galm Beswijckt in 't ende. Laat nu vry Zyons liedren swijgen, En still neer-sijgen, Of (heft den Geest naar Hemel-waarts) Maar sugtend-hijgen. Stilte, of Ruste.
V. DAar is de slag // Dien lang voorsag So menig Leeraar (u geluckt O Utrecht! ende u droevig weer ontruckt) Uw sonde is d'oorsaack: En so gy 't hert // Nu nog verhardt Gaat in uw oude rancken voort, En Woord, nog segening, nog roede en hoort: Dit 's maar een voor-smaack. Siet my daar eens den blick Van uws Vaders toorn, ten schrick; Om uw rust, En uw lust, Dien gy bluscht: Om uw doodigheyd: Ongevoelickheyd: Iverloos-ja Geestloos-heyd. Gy hebt dat Woord (wiens kragt Gansch de werld gevoelt) veragt; En sijn ra'en // Niet verstaan // Niet gedaan, Om dat u het oog Na de lusten boog, En door 't sienelijck bedroog. De Schatten der Godtloosheyd soecken, Vervaerlijck vloecken, Den Werld in pragt te boven gaan In hayr, in doecken: De vromen schelden met uw naspraack (Der herdren na-wraack) Utrecht! Utrecht! uw spijse was; Dits nu de na-smaack. VI. Godtlosen stil! Stil! spotters stil! Verblijd u niet en staack uw lagh; Want schoon ick viel, en in het duyster lag, Godt sal myn ligt sijn. Maar u! maar u! Maar u genaackt In desen val een val, die hert,
En siele sal ten eyndelosen smert, En meer van wigt sijn. Daar legt dien bron, die tong (Die maar tot uw Heyl ontsprong) Inde dood: // En die dood, Is uw dood; Want uw bose tred, Helle-waarts gesett Gaat nu derwaarts onverlett. Die Medicijn houdt op, En uw blijdschap stijgt ten top! Heyligt Regt! Heylig Regt! Heylig Regt! On-na-speurelijck, On-beschuldiglijck, Als 't verdoemt oock prijselijck! Maer! Maar wat sie ick ginder komen? Een troep van Vromen? Haar oog ten Hemel? Godtloos rot Nu moogt hy schromen. Nu sullen 's Hemels blicksem-steken Op u sig wreecken; Haar seeg'nen self uw vloecken sijn. Hoort wat sy smeecken. VII. Heylige Godt! Ons' Vader ah! Wy hebben tegen u misdaan, En daarom doet gy 't ons dus hard verstaan: Wy willen 't dragen. Blijft ghy dan niet // Ons Vader? siet Ons schulden in den Heyland aan, So sal het quaad dat u tergt ondergaan, En uw Heyl dagen. Neemt gy ons Leeraar weg: Sendt uw Geest in plaats', en segg Ick u Heer // Ben, en leer, U veel meer Dan oyt menschen mond Menschen leren cond':
En ons druck verdwijnt terstond. Neemt gy ons sorg op u: Waackt, en maackt ons' haters schuw: Door uw leer // Tot uw eer // Haar bekeer; Of sla met uw staf Hen van 't coren af En verstuyv'er heen als kaff. Maer Ons wilt in uw gunst weer geven Leraers ten leven; En dubbel seg'nen die by ons Nog sijn gebleven. Ia gy self blijft by ons, o Vader, En treckt ons nader: Hy ga die gaat, gy syt en blijft, Ons levens ader. VIII. Dus bidden nu // Die troepen u, Dien gy ten leven hebt geschickt, En die van hem in droefheyd sijn verquickt Door heylge Gods-spraack. Ey! sie de traan // Sie 't knielen aan Der Lamren, wiens eenvoudicheyd Hy onderwees, en gy hebt toe-geseyd Uw eeuw'ge Gods-smaack. 't Geroep van rugg' en erm, 't Brood-en trooste loos gekerm, Dien sijn hand // Hulps sand // Die sijn hand Swijgen deed', O Heer! Hoort, en sendt ons weer Sulck een voorbeeld van sijn leer. Wy willen niet meer doov Aan u sijn door ongeloov; Nog de lust // (die gebluscht // vleyig kust) Andre lusten broen, Vleesches kragten voen, Enden Geest uyt-blusschen doen.
Nu smaden wy des werelds voorbeeld By u veroordeelt; Daar legt, daar legt, daar legt den top Die niemand voordeelt. Sendt ons des Hemels Cost'lijckheden Het deugden-cleed, en Wy sullen Lijf, en Ziel, en Sin Voor U besteden. Eynde.
Cookies on Poetry Cove