Skip to content
1676

Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen

Jodocus Lodenstein

Op de maniere van Als oock Hoogl. 1: 7.Harders-Sang. Wijse: Gy phantastijcke, &c.

I. Sulamith. De Bruyd bemint Iesum boven al, als sijnde haar leven. Phil.1.:21. met Joh.14:6.O minnelijckst' Emanuel! Emanuel mijn Leven Soeckt sijne gemeynsaamheyd als Ps.73:28. 2 Tim.4:22. 2 Cor.6:16.Com set u by my neder wel! En Hem yet goeds te doen, als Ps. 116:12.Maar! wat sal ick u geven? Can niet vinden als Hem te verheerlijcken in haar lichaam en siel 1.Cor.6:2c.Ick sal een croon van Lauwerieren schoon, Uw dierbaar hooft omweven.

II. 'T is onbedagt te menen dat ons goed tot den Heere raeckt. Siet Ps.16:2. Job 35:7.Eman. O onbedagte Sulamith! Siet Hoogl.1:16. en 4:1.7.Sulamith soet van wesen! Niets ter wereld is weerdig genoegWaar cont gy bloemen rood en wit, Waar soud gy 't cruydje lesen, Om Jesum na behoren te verheerlijcken. Hoogl. 5: 10.11.&c.Dat my het breyn, Of om de liefde van eene geloovige siel genoegsaam uyt te drucken. Hoogl.8:6. Vlammen des Heeren.Dat uwe minne reyn Gevoegelijck soud wesen? III. De Bruyd beidt den Bruydegom tot sijne verheerlijckinge, d'uytspruytsels van haar geheyligt hert, dat sijn, hare heylige redenen, siet Math. 12:35. sijnde, benevens de verkondiging van 't H. Woord (de Vrucht der lippen genaamt Jes.57:19.) de vrymoedige belijdenisse der H. Waarheyd Math. 10:32. de stigtelijcke t'samen-spraken. Eph. 4:29. Col. 4.6. en de geestelijcke liefden-pligten van onderwijsinge, vertroostinge, vermaningen, en bestraffingen aan elcander, Eph.6:4. Heb.3:13. 1 Thess.5:14. mitsgaders de Gods-dienstige oeffeningen van biegten, Ps.32:5. Bidden, Ps.5:2,3,4. Singen, Ps.57:9,10. Eph.5:19. Col.3:16.&c.Sulam. De blaad'ren van mijn hert, den mond Door lipp' en tong ontschoten, Desgelijcx de verbreydinge van die H. redenen door aangename woorden, als Pred. 12:10.De bloemen Dog die uyt dien selven grond dat is van geheyligder herten comen, niet van de lippen slegs. Jes.29:13.uyt den selven grond Oock sulcke, die van Gods Geest geleert werden, niet in menschelijcke wijsheyd, siet 1 Cor.1:7. en 2:4,13.Met uw dauw overgoten; De Heylige redenen sijn wel ongemeen, want weynige hebben eenen goeden schat des herten. Math.7:14.Die ongemeen Met aangenaamheyd, Col.4:6. Bescheydenheyd, Phil.4:5. Lieflijckheyd, Phil.4:8,Geweven digt in een Siet Ps.92:2,3. Hoogl.2:4. en Heb.13:15,16. de Vrugt der lippen die sijn naam belijden, is't offer des lofs, in welke de Here een behagen heeft.Hebben u noyt verdroten.

IV. De Heere segt dat den glansch en den reuck van de woorden en der selver vercieringen niet genoeg en sijn, maar dat de vrugten der goede wercken daar by moeten comen, sal ons verheerlijcken Hem behagen, siet Math.21:34. Luc.13:16. Joh.15:8. Phil.1:vers.11. Jac.2:14. 1 Joh.3:17,18. Eman. Laat door uw blad en bloemen heen, Door cleur en geur, van verren, Granaat en druyf-tros onder een Dat evenwel gemelde Vrugten niet en sijn te sijnen nutte, Ps.16:2. maar alleen in sijn croon, dat is, tot sinje eere. Tit.2:10.Door-flonckeren als sterren; Siet Ps.45:12. Hoogl.7:5,6.So sal ick in Uw liefelijcke min O Sulamith verwerren. V. De Bruyd neemt Jesus herte met haar ooge, Hoogl.4:9. dat is 't gelove, Joh.6:40. ja geweldiglijck. Hoogl.6:5.Eman. O! Sulamith! gy hebt mijn hert Verovert met uw oogen. d'Heere Jesus vercrijgt sig onse sielen en alles door sijn lijden. siet 1.Cor.6:20. met 1.Petr.1:18,19.Sul. Emanuel! gy door uw smert Hebt my mijn siel ontogen: Siet Hoogl.2:16.Dus Sulamith Emanuel besit, Sig selven geheel hebbende verlochent. Math.16:24. Gal.2:20.Haar eygen siel ontvlogen. VI. De Heere weckt haer op tot yver in 't toecomende, door schaamte over 't voorledene. als Rom.6:19.20,21.Eman. Seg Sulamith! wat was u lest Als ick aen uw herte clopte met mijn Woord, Openb.3:20. siet Hoogl. 5:2,3.&c.Dat gy my liet voor deur staan? Siet Hoogl.5:2. Suster, Vriendinne, &c.Ick clopt', ick riep, ick sprak om best; Tot den Morgenstond toe, heb ick den gantsche nagt gewagtet. Hoogl. 5:2. Mijn hooft is vervult met dauw &c.Tot my den dauw dee deur-gaan:

De Here doet haer der dagen van ouds gedencken, als Ps.77:6. en hoe sy voor desen wel keuse wist tussen sijn afwesen of by sijn. siet Ps.279 en 38:22Of ick u schuw, Dan of ick ben by uw, Voor dees' wist gy daar keur aan. VII. De Bruyd erkent sig te schamen, als Efr.9:6.Sul. Ey! swijgt mijn schaamt, Emanuel; En verhaelt haer berouw, en hoe sig opgemaakt had om Jesum te soecken. Hoogl.5:5.Gy keerde u nauwlijcx henen, Of 't lijf sig rept ter bedd' uyt snel, Door droefheyd en leetwesen, Hoogl. 5:4. door verlangen en liefde, Hoogl.5:6. En 't hert besweeck met eenen, Siet Hoogl.5:5. Mirrhe-oly betekent de liefelijke genade des H. Geests in't herte. De Bruyd wil seggen; 't Herte so ontroerd door droefheyd en liefde, bragt alle de cragten en genade des H. Geests t'samen; en dede die vloeyen op 't slot van mijn herte. En deed een vloed Van Myrrhe druppen soet Op grendel, slot, en stenen: VIII. Dese genade nam alle hindernisse weg, (gelijck de olye slot, en grendel glad maeckt) so dat 't herte open ging. Hoogl.5:6.Den oly deed het slot met lust Opspringen, Hoogl.5:6,7. ick ging u over al soeken.en ick ruckte My stratewaart (Hoogl.5:2. Het herte waackte voor Jesus, hoewel eens verrascht sijnde door den slaap.sy dat de rust Mijn wakend hert soo druckte!) Hoogl. 5:6. Ick sogt hemOf (dagt ick) daar Emanuel nog waar: Maar ick en vond Hem niet.Maar laas! het my misluckte. IX. De Here stelt de Bruyd de ongerijmtheyd van dese slaap voor oogen.Eman. Lust Sulamith den slaap so (dagt Ick) dat sy my mag derven;

Bespottens-wijse, als Matth.26:45.Sy slape dan vry voort. (Sul.) Sulck spreken smert de Bruyd seer, en doet haar de dood voor sulck een slapen kiesen. siet Ps.63:4.Bey; sagt! Bey! liever woud ick sterven: De siel neemt voor beter wackerheyd, als Ps.5:4. dog onder 's Heeren hulpe.Van nu af aan Wilt 't herte wacker staan, En versoeckt des Heylands gunste en gemeynschap weder te gevoelen, Ps.51:10,14. door welke 't herte gesterkt werdt, Heb.13:9. siet ook Ps.119.32.Laat ick uw gunst maar werven. X. De Here segt, aan sijn gunst en is niet te twijffelen, om 't verbond der genade; (dat ewig is, Jes.55:10 2.Tim.2:13.) spruytende uyt het oneyndig Godlijck behagen en vermaken, 't geen de H. Dryenicheyd heeft in sig selven, en door dit verbond oock in den mensche. siet Spr.8:30,31. Luc/2:14.Eman. Vol op is u mijn gunst bereyd, Die 't eyndeloos behagen Van 's Vaders Algenoegsaamheyd Heb aan den mensch doen dagen. Als de siel die eyndelose maal-stroom van onverdiende liefde siet en gelooft, dan smeltse weg in wederliefde. 1 Joh.4:vers.19.Sul. Mijn siele smelt Als gy my dat vermelt, Siet Hoogl.2:5. en 5:8.Mijn hert en can 't niet dragen. XI. Gods gestaltenisse. Phil.2:6.Eman. Ia 's Hemels glansch Die ick als Sone hadde. Joh. 17:5.mijn errifdeel Hebbe ick verwisselt voor de gestaltenisse eens dienstknegts, Phil.2:7.Heb ick om u gelaten, En had ick dese gehele werld, met al watter vermakelijcks in is, ick woudese geven voor eenen goeden of groter schat des herten, daar uyt ick stigtelijcke woorden en goede wercken mogte voorbrengen om u te verheerlijcken, 1.Cor.6:20. Ps.145:5. Ps.149:6. Math.5:16. Phil.1:11.Sul. Gaf ymand my dees aard geheel Vol rijckdom, lust en staten; 'K reuyldese weer Voor Lauwren u ter eer

Nu voegts'er de vrugten by, als Jac.2:12.Te vlegten met Granaten. XII. De siel begint te voelen dat de gevoelige wercksame gemeynsaamheyd des H. Saligmakers weg-gaat. Hoogl.5:6. Ps.10:1.Waar heen, mijn Coning? Ah en scheydt, En bidt, dat Hy met sijne verwarmende, verligtende, en levendigmakende genade niet weg en ga, Ps.51:13.En laat die Jesus is onse Son Mal.4:2. en ons Ligt, Eph.5:14.son niet dalen! Duyv, als Hoogl.5:2. en 2:14. en 4:1.Eman. Ia duyv Gy soudt uyt eygen-liefde aan mijn troostelijcke tegenwoordigheyd wel al te seer hangen, oock wel so, dat gy uw tijdtlijck beroep soudt versuymen als Petrus, Math.1:4.mijn bysijn u verleydt, Gy laat uw schaapjens dwalen. Komen de saken mijns beroeps enigsins in verloop,Sul. Dwalense? Wijckt, O Jesu, met uw genade dan niet van my.vliedt Emanuel dan niet: Want, al den segen is van u, Ps.127:2. En in't bysonder moet uw Liefelijckheyd over ons sijn, sal't werck onser handen bevestigt werden. Ps.90:17.Maar helptse kop-waarts halen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen · Jodocus Lodenstein · Poetry Cove