Met hoog-water door Nieuwer-haven.
DAar is 't water op sijn hoogste,
Daar is 't vloeyen al gedaan,
Sie ick naar het diepst' of droogste
Al-om sie ick water staan.
Dits gevaarlijck! maat, laat d'oogen
Doorgaans na de bakens gaan!
Want, raackt hier uw schip om hooge,
Deerlijck wil het met ons staan.
Dat het water was aan 't wassen
Steuyten't eens, wat commer was't?
Maar dat sou ons nu niet passen,
,, 't Argst is met hoog-water vast.
Hoort eens , schipper, Doe de vloeden
Vloeden van Gods Woord en Geest
Ons so vol-op niet en voed'den
Sijn wy doe eens droog geweest,
't Was beclaaglijck: maar Gods segen
Telckens in een nieuwe pligt
Sogt ons weer, en door die wegen
Was 't vervallen haast herstigt.
Maar die Vloed van Gods genade
Moet eens op sijn hoogste staan
(Nu kan't minste quaat seer schaden)
Niet ligt sal sy hooger gaan.
Hoed uw siel sorgvuldig (Man)
Want, nu 't water heeft sijn hoogte
Comjer op, hoe comjer van?
Daar sijn, kenn ick, somtijts springen
't Water neemt wel hoger loop,
Maar dat sijn al wondre dingen
Boven hoop, ja tegen hoop.