Trant: Doen ick was, &c.
I. 'k TWijffel, of den Hemel op der aard Gecomen is beneden, Dan of d' aard geruckt is ten hogen Hemel in. Want het Heyl dat met ons in het vleesch Dees aarden had betreden Vaart ten Hemel op tot ons herelijck gewin. Als de lijdens-nagt Alles had volbragt, Hem den Hemel in eeuwig juychen wagt. II. 's Vaders gunst so schrickelijck bedeckt, Als onse schuld hem druckte, Siet een hemel uyt en hem vriendelijck te moet.
's Hemels Heyr dat eeuwen lang in wensch Na dese diepte buckte Speelt, en juygt, en singt, en Hem Hemelsch hulde doet. Godes Sone waard Op de wolcken vaart, En siet daer is den Hemel op der aard. III. 'T is ons vleesch aan Godes dierbaar Soon Onscheydentlijck gebonden Dat Hy als het sijn door de lugt en wolcken draagt: 'T is ons Hooft, dat wy voor uit op winst Na 't Vaderlandt toe sonden, Tot hy ons ter hulp weer in lucht en wolcken daagt. Des der Iong'ren oog Na de Hemel vloog Want siet daar vaart de aarde naar om hoog. IV. Als den Hemel 's Hemels dierbaar Soon In liefde comt ontfangen En hem op het hooft set een herelijcke Croon, Seyd hy dat den vrede met den mensch Na 't Vaderlijck verlangen Vol op is gemaackt, en bevestigt in dien Soon. En als Godt t' onswaart So sijn gunst verclaart: Is dat dan niet den Hemel op der aard? V. Nu ons hooft gestegen door de lugt Geraackt ten hemel binnen Sit in 's Hemels heyr en omcingelt van den loff, Senden wy oock Hemel-waarts ons Hert Ons sang // ons sugt, ons sinnen, Leggen voor of dringen tot in het Hemelsch Hof. Die ons Hooft op toog Treckt ons hert en oog; En siet dus vaart de aarde naar om hoog. VI. Godes Beeld in hovaardy verwoelt Door Nedricheyd her-kregen, Moest ons van den Hemel neer-gesonden sijn.
Godes soon ten Hemel opgeligt't Stort regenen van Segen, 't Sappig vogt van Geest, en des Hemels reynen wijn. Godes Beeld en aard Met den mensch weer paart. En siet dus daalt den Hemel op der aard. VII. Nauw'lijcx't vier d'onblusschelijcke vlam Van onbegonne liefde. Raackten aan het hert dat het vatted in geloov, Of den reuck van 't danckbaar brandend hert Den steylen Hemel cliefde, En riep, Neem mijn siel Here Iesu tot een rooff! Iesus liefde toog Daadlijck hert en oog Hemel-waarts, dat is d' aarde naar om hoog. VII. Onsen Vriend, ons Bruydegom, en Man Ter hoogster eer verheven Can van boven neer oock sijn slegte duyve sien: Canse sien // En sietse met geval Om sig aan haar te geven Dien hy sig in ernst en so plegtig aan comt bien. En dit wel-geval Is ons Heyl en ons Al, Is den Hemel, den Hemel in dit Dal. IX. Hebben wy wat, liefs, wat groots, wat waards, Wy senden 't weer na boven Onse lusten al in een bundelken by een. Nu sijn al ons aardsche lusten dood En 't lust ons maar te looven hem, die onsen lust met Hem optreckt van beneen. Ga dan lust, Ga dan sin! Ga dan Hert, Ga dan Minn! Want so raackt d' aarde vast ten Hemel in. X. Wat ick in de schepselen geniet, Of immer my bejegent,
Is het soet, of suyr, is het voor- of tegenspoed: 'K voel het al in Heyl, in hulp, in troost Van Iesu my gesegent, Die het my in min, al ten voordeel dienen doet. Even of sijn hand Tot een onderpand 's Hemels Heyl my hier op der aarden sand. XI. Des wat ick in schepselen geniet, Of immer my bejegent, Is het soet of suyr, is het voor- of tegenspoed: Breng ick hem in danckbaarheyt weer toe Door woord en sugt gesegent, Dat in sulck gebruyck hem ter eere dienen moet. En als d'Idelheyd So van't schepsel scheydt, Werd het Schepsel den Hemel ingeleydt. XII. Eeuwig loff sy u verheven Heer! Die van een Maagt geboren Met de Godheyd hebt onse nieticheyd gepaart: Die den toorn uws Vaders hebt gestilt, En ons so diep verloren Weder hebt gebracht, en het al tot een vergaart. Daalt Heer tot ons neer; Haalt ons op tot u weer. Tot sy singen het eeuwig Looft den Heer. Somermaand 1661.
Cookies on Poetry Cove