Stemme: Ps. CIII. I. LAat uw gena Genadig Heer! ontbinden Ons trage siel' en drijven met de winden Gerardus en Maria na ter Zee. Nu kiest ons siel voor rust met hen de baren, En bidt, Laat, Heer, dat paar geluckig varen! En brengt ons siel met hen ter veyl'ge ree. II. Ons Vaderland, helas! verdwijnt: de bergen Van Heyl, de stralen van uw Goedheyd bergen Sig agter onser sonden swarten kim: En nog en sien d' inwoonders, nog en sugten Sy niet, Dat uw Geest en ons welvaard vlugten, En al ons Hoogheyd niet is dan een schim. III. Vaar wel Geluckig paar, by tijds ont-dragen
Het ongeluck dat wijsen lang voorsagen Beschoren over ons van nu en voort. Sijt gy in ongemack ons Godt uw Godt is, Sijn wy in ongeluck uw Lot ons Lot is Of in of buyten 't land van ons geboort. IV. Still Vaders, Moeders still uw kindren lagen Noyt meer bewaard in uw schoot; duldig dragen Laat ons hunn af-sijn, waar sy reysen: sy En comen noyt in Land so verr-gelegen Of ons gebed, en (ouders) uwen segen In Gods heyl blijft hen (waar sy reysen) by. V. Ons Lieve Vader! leydt ons kintsche jaren (In 't Gracy-school nog ruw en onervaren) In 't padt dat opwaarts na den Hemel is. Wy slaan op u, Heer, ons verlegen oogen, Maackt uw beloft door Vaderlijck medogen Aan hunn en ons siel door 't gelove wis. VI. Laat hen een reyne liefde tot elckandren Een liefde die geen eeuwe can verandren Ons aller af-sijn duldig dragen doen. Laat nogthans ons en hen een Geest te gader Verbinden, en soo treckt ons t' samen nader Tot u in spoed, of Vaderlijcke roe'en. VII. Dus sullen sy al tobbend op de baren, En wy met uwe rust bedauwde scharen Een lichaam maken eenig door uw Geest: Een is ons Woord, ons Leraar, een ons Tempel, Een ons Geselschap, ons Volmaackt Exempel, Een is ons Off'rand, een ons Paschen-feest. VIII. Keer! roept ons hert verruckt in liefde teder, Maar wel-bedagt, segt; Gerard keer niet weder!
Maar hoort het clagen van dien Formosaan. Die Man, so 't schijnt, heeft 's Heren-berg (gelegen Op aller bergen top) in 't oog gecregen, En daarom vloeyt hy schigtig herwaarts aan. IX. So gaat in yl der blinden oog verligten, So onsen rey met vele sielen stigten, So 't arme volck voor helsche putten hoe'en, So met geweld der stercken vaten roven, So climm door u de name Iesus boven! Ah! dat wy dat oock met u mogten doen! X. Bepaler van dat diep, die met de spanne Van 't blauw gewelfde maat cunt nemen: spanne Den streng van 't Noorden losser dan voor heen: En laat de spoedig' uytgelaten winden In haast hen derwaarts dragen: en doen vinden Joh.10:16. Uw schaapjens die hen derwaarts reysen de'en. XI. Laat hen de schaduw van uw hand bedecken, Uw magtig Heyr ten muyr rontsom hen strecken, En hoed hen voor der Vyanden geweld: Voor felle clippen, of verburgen sanden, Voor droef' gevaar van onvoorsiene stranden: 't Verheven meyr, en wind ter neder-stelt. XII. Als 't schip de woeste Zee met spoed ontspringen Sal, en sy u op 't vaste land weer singen; Hoort dan, o Vader! uyt uw hogen throon! En send uw Ligt en Waarheyd die henleyden In wel bedagten yver; en bereyden Ons Iongst' en tedre suster voor uw Soon. XIII. Doet hen die on-naspeurelijcke wegen Van 't heylsaam Bond so 't ingewand bewegen Dat oog, en mond, en hand dat blijcken doen:
Laat d' oogen (als de mond dat nieu ontvouwen Komt) tranig Iesus wonden teer bedouwen, En vlammig tuygen 't waardig Menschen-soen. XIV. Ia tuygt gy self van boven; toon uw cragten, Weckt doden op; verligt der blinden nagten; En leert uw leer, als uwen dienaar spreeckt, Door d' oren aan het Hert, en doet verbaast staan Dien Sathans list tot nog toe deed verdwaast gaan; En 't stenig hert door stercker waarheyd breeckt. XV. Help! wat gedruysch comt daar der heyl'ger scharen Ter Zyons poorten in met Heyl gevaren! Ruymt! ruymt den aanstoot uyt des Heren baan! Wie heeft ons al dees kinderen geboren? 't Is God die door Gerard sijn uytvercoren Een teken rigt en tsist haar herwaarts aan. XVI. Ons Vader! wilt dat waardig hooft bewaren; En hem Mary ter hulp: laat vele jaren Hen in 't geloof en uw gunst wortlen doen. Hoed hen voor Menschen-vrees, en Ogen-lusten: Laat uw gena in onrust hen doen rusten: En hen en ons uw Soon geev en uw Soen. 20 Slagtmaand 1659.
Cookies on Poetry Cove