Skip to content
1676

Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen

Jodocus Lodenstein

Stem: O Kersnacht, &c.

I. DOe Israel sijn nare sugten Met Pharo's slaverny ontvlugten, En Iacobs huys van t' volck ontquam, Dat, als sy 's Heren lof verconden, Haar taal en kende nog haar gronden; 't Geslagt van den vervloeckten Cham: II. Doe was de gulde tijd geboren, Dat Iuda Godes uytvercoren, Wierd 's Hemels eygen Heyligdom; En na beloften so langwylig, Wierd Israel ten volle ne ylig Gods onderdanig Coningdom. III. Des Hemels Coningdom! dit wonder

De Zee vernam, en sloeg een donder (Dat d'aarde tsidderden) en vlood Verbaast, verschrickt op d'agtbre kondschap Van so een ongehoorde bondschap, En bood sijn grond Israel bloot. IV. De stroomen die van ouds in 't Noorden Van Ior- en Dan af t lande door-boorden, Vergaapten sig, en bleven staan; Vergaten haren treyn, en lieten Haar Suyd-lijck nat na Sodom vlieten, En Isr'el droogs-voets door sig gaan. V. De Hoogten, Reusen van de Bergen; De heuveltjens, der bergen dwergen (Slegs door 't geloof bewegelijck) Den Hemel hoorden dit beloven, En d'Aarde sagen dit geloven, En sprongen Rams- en Lams-gelijck. VI. Gy stoute wat'ren die na clagen Nog dreygen sijt gewoon te vragen; Wat bragt u 't vlieden in den sin? Gy altijd-vlietende Iordane, Wat maackte uw grond dit volck ten bane, Wat bond u snelle stroomen in? VII. Sta stil wat Bergen, of spring trager, En Heuvlen hoort eens na uw vrager: Wat maackten u de sware voet Te ligten, als de ligte Lammen, Te beyt'len als de dert'le Rammen? Om 't wonder dat den Hemel doet? VIII. Om 't wonder, dat ons Godt dee dagen! (En dus beantwoord ick mijn vragen)

Is 't wonder, dat het Schepsel beeft, Als sig den Schepper self gaat voegen In saal'ge bondschap ten genoegen Van 't volck dat Hy vercoren heeft? IX. Van 't sondig volck! Ia, gansche Wereld, Gy Hemel cierlijck, die bepereld Met duysend floncker-ligten staat, Gy Aarde, beeft! beeft! beeft voor 't Aansigt Daar Goed- en Heerlijck-heyd in aanligt Die Iacobs Godt sig noemen laat. X. Staat, springt, gaat buyten uw gewoonheyd (Want heden treedt des Hemels Schoonheyd Met 's werelds Nieticheyd in d'egt) Den Schepper heeft wel dorre keyen En rots', op dit gesigt aan 't schreyen, Tot water-bronnen opgeregt. 29. Lentemaant 1665.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen · Jodocus Lodenstein · Poetry Cove