Te singen als, O Kersnagt, &c. siet boven p.68. of als, Mameer.
I. O! Onbesonnen Land! geleydet maar door uw driften, comt, en breydet Uw palmen nu ten Hemel; want Nagt-duystre dagen u genaken, Voor-smaken
van des Hemels wraken, De roeden van sijn magt'ge Hand. II. Ontelbaer sijn byna die boden Die U den Hemel, om te doden Al wat in u nog Eygens leeft, End' U door 't heylig Self-versaken Des Hemels Eygendom te maken, Van tijd tot tijd gesonden heeft. III. Maar laas! uw lust, uw wil, uw reden, Uw ingebeelde Salicheden, Uw weeld, uw Pragt, uw Al bleef staan: So liet den Hemel al die Ligten Nog nauw ten Top-punct opgeligt, en Ontijdigh dickwijls onder-gaan. IV. Sanderus! vraag my na geen woorden Die ooren ket'len, sielen moorden (Door opgepronckte bloemtjes) soet: Maar na een wel-bedagte Reden, Een voedsel, dat de Geest (gebeden Om hulp) den Ziele dijden doet. V. Sanderus! vraagt my na geen listig En scharp vernuft, dat meer in twistig Dan nuttig leren sig besteedt: Maar na een Ziel dien s' Hemels Wijsheyd (Die kindertjes self wis, en wijs leydt) Haar salig' Heymnis weten deed.
VI. Sanderus! die, met d' Onsigtbaren In 't oog, het sigtbaar wedervaren Op aarden stil veragten cond: Die door 't Geloof te leven leerde, En 's Hemels Vrees met vresen eerde Als 't quaad voor goet te wagten stond. VII. Sanderus! Die niet uyt sijn eygen Het Goed te loven 't quaad te dreygen Gewoon was, maar uyt 's Hemels-last: Die 't alles toetsten in de smisse Van 't Christen ongecreuckt gewisse Dat niet dan op de Gods-spraak past. VIII. Sanderus! Die als 's Hemels bode Het costelijcke van het snoode Wt-trecken ging: en sag te laff De dorre korst niet voor het pit aan, Nog kende Iesus dierbaar Lidt aan Den vrugtelosen Letter-draff. IX. Sanderus! Die met d' oogen open Sag 't arme volk ten onpadt lopen; Gods vrees en waarheyd aan de wijck: De wer'ld, en 't heyloos vleesch sig inde Gewijde plaats een plaatse vinde', Des Sathans throon in Jesus Rijck. X. Sanderus! Die wel wijse woorde' Wt slegte monden cundig hoorde, En nam voor leer of waarschuw aan: Die nederig den Hemel eerde In ongeleerde Gods-geleerde'. (Hoe selden wert'et nu gedaan!)
XI. Sanderus! Die de woorden schaven En hoger als 't gemeen doen draven, Als 't nood was, cond; end op het spel Van Zions harpen (die nu hangen) Het pit van liefelijcke sangen Cond paren, voor Gods Israël. XII. Sanderus! segh ick, (en blijv cleven In d' overdenckingh van sijn leven Den Christen-wer'ld so stigtelijck! Om niet aen 't bitter woord te comen Dat dog daar uyt moet) laas! den vromen Sanderus, seg ick, is een Lijck! XIII. Daar gaet hy, die als 't Ligt na by quam End uyt den woel hem aan d' een zy nam, Sag daar in seldsaamheden: sag Den fleur-dienst verr van 't oogwit missen, In Zion wat al duysternissen? En dat het op sijn droessem lag. XIV. Comt nu, die Hem met onverstand, en Hertneckigheden hebt doen branden, En siet sijn tonge sprakeloos: End' u tot s; Hemels wijsheyd keeren (Dat Hy u levend niet cond leeren) Com leer nu van Hem Leven-loos. XV. Gedenckt Sanderus gaat na boven, Om d' Eeuwicheyd in 't Englen-loven Bescheyd te brengen van sijn dienst. En wat hem daar is wedervaren! O! wuffen mensch vall' aan 't bedaren! Den laatsten dag comt on-voorsienst.
XVI. En siet gy blinden niet de roeden Daar 't Heylig Regt meed dreygt te woeden Op Land, Kerk, Gaad, Kind, Hof, en Huys? Dit is gecomen als de Troepen van den Coning van Vranckrijk in Junio des selven jaars 't Land in trocken, 't Landschap en Stad van Utregt innamen, de Hooft-kerck alles uyt-wierpen, en tot den Roomschen Godsdienst eygenden, gruwsame verwoestingen van Landen, huysen en hoven, mitsgaders smertelijcke onderdruckingen der huysgesinden aanrigteden, ontrent 17 maanden lang: Ende den Coning van Vranckrijck selve met sijn heyr tot Zeyst gecampeerd leggende, de Stad als Overwinnaar ingetrocken en door-gereden is. En can het nog uw hert niet breken Al hoort gy d' Eeuw'ge Wijsheyd spreken So haal ick eerst de Mijnen thuys? XVII. Soo haal ick 't mywaerts die de sotten Op aarde souteloos bespotten, Om dat m'er nog wat souts in vindt: Tot dat men smakeloose poelen Siet vrugtloos door elckand'ren woelen Door hooge-wereld-wijse wind. XVIII. Ah Oordeel! droevig boven maten! (Als 't Sout wert Geesteloos gelaten, En weet het self laatdunckig niet) Dat wis wil groenen in de vooren, Daar 't Heylig Regt sijn Waarheyd hooren. En trotselijck veragten siet. XIX. Oh! wanneer sal die tijd geboren Sijn, als de Waarheyd self sig horen sal doen in stemmeloos gerugt? En d' Onsigtbare sig vertoonen in 't Ongeschapen Ligt, en woonen In herten daer de schaduw vlugt? XX. Wy willen lijdsaam daer op wagten:
Want als de Wesentlijcke Magt, en De ware Wijse Wil dat maackt. Dan sinckt ons ziel in d' Eeuwicheden Soo weg, dat rede-lose Rede, En Wille willig sigh versaackt. XXI. Dan kentmen Eygen goed nog voordeel: En wickten 't Al na 's Hemels oordeel: Nog wiltmen, dan dat Die gebiedt: Dan lieftmen niet dan d' Eeuw'ge Goedheydt: En vindt men alle vindbre Soetheyd In 't eeuwig Hallelu-jah-liedt.
Cookies on Poetry Cove