Op de wijs van den 6. Psalm. I. O Opperwesig Heere! Hoe schoon is het verkeren Met u in 's Hemels Hoff;
Hoe schoon is u gesichte, Vol Hemels Sonne-lichte! hoe weerdig sijt gy loff! II. O hoogverheven Koningh! O Rotsteen tot mijn woningh! Der Heyerscharen Heer. O wesen aller wesen! Hoe seer sijt gy te vresen! Seer groot is u 's Naems eer. III. Iehova light en leven! Iehova hooch-verheven! Iehova sielen rust! O hoe oneyndich heerlijck Hoe schoon en hoe begeerlijck Sijt gy mijn rust en lust. IV. Oneyndich hoogh-verheven! Oneyndich salich leven! O Rustelose Rust! Ia daer u glans komt schijnen, Daer moet de siel verdwijnen, In u als gy haer kust. V. O Heer ick stae verlegen Wat loff dat ick sal geven U groote Majesteyt; Om eenichsins met stucken, Soo iet wat uyt te drucken, Van uwe Weerdicheyt. VI. O kond' ick eens uytgalmen U loff door lied of Psalmen Tot grootheyt van u eer; Maar ach! mijn light! mijn leven!
Wat loff sal ick u geven? O groot oneyndich Heer. VII. Veel naerder staet mijn sincken, In d' Oceaan verdrincken, Van Gods verwonderingh: Dan dat ick uwe naeme Sou konnen loff berame Hooch boven alle dingh. VIII. O algenoeghsaem heerlijck! Hoe schoon, lief en begeerlijck, Verheven Majesteyt! Ick vind' begin noch ende Waer dat mijn siel gaet wende, 't Blijft al oneyndicheyt. IX. O weerdigh schone Heere! U toekomst grootheyt, eere, Loff, glory, liefd' en roem. Ach Heer! gy treckt mijn sinnen Siel lichaem in u binnen In 't Godlijck Heylichdom. X. Wat doet gy daer al dalen Veel heerlijck schone stralen Van uw aangesicht schoon! Hooch herelijck verheven Sie ick u daer mijn leven Op u Majesteyts troon. XI. Uw schoonheyt doet my sincken Als of ick sou verdrincken In dat heerlijck gesight: O Salich! Salich sincken! O Salich te verdrincken.
In 't eeuwig salich Light! XII. Hoe veyligh is dat rusten In u door siels wellusten? Hoe smaecklijck is u wijn? Gy maeckt mijn siele droncken Door liefde soo beschoncken In t' Wijn-Huys-liefde-wijn. XIII. O heylich vrolijck droncken! Soo veylich ingeschoncken Der salicheden Zee! Lief lieflijck sterven leven! Siel lichaem soo te geven In d' ongegronde Zee; XIV. Leeft, leeft dan Koningh levet! En in en door my swevet, Ey dood al wat my smert: Door Iesus offerhande Door Iesus liefde-bande O Herte van mijn hert! XV. O looft hem Iesus Scharen! Oneyndich wilt verklaren Sijn groote Majesteyt. En gy mijn siele dringet In hem, en met haar singet Hem loff in eeuwicheyt.
Cookies on Poetry Cove