Een ander. Stemme Ps. 104.
I.
DAar leyd helas! daar leydt die diere mond
Die steeds als 't levens ader open stond
Met dauw van Wijsheyd gulsig overgoten,
Daar ligt, daar ligt die diere mond gesloten!
Nu sal dien dauw, dat pit, die merg, dat sap,
Dat Hemels vogt van ware wetenschap,
Dat Christi kindren gratig quamen suypen
Wt die gesloten lippen niet meer druypen!
II.
Maar nu sal sy dat levendige sap,
Dat hemelsch vogt van ware wetenschap,
Dat hare mond in Graty plag te schincken,
Van Iesu self in volle Glory drincken.
Oh! dien dat eeuwig Woord selfs overgiet!
Wy nog benyden 't u, Maria, niet,
Maar clagen wie sal 't jonge by u ons leren?
Wie Groot en Kleyn so wijslijck balanceren!
III.
Wie doet na dees' ons op-gaan 't Vrede-ligt?
Wie wijst nu elck so heyliglijck sijn pligt?
Wie sal met my de Godt-verligt'de scharen,
Door duystre Nijd heen, soecken of vergaren?
Wie sal met my gaan daar 't so heerlijck straalt
Daar 't salig Woord en Voedsel werd erhaalt?
Wie sal met my gaan decken Christi leden?
En 's Rust-dags-vrye tijd so wel besteden?
V.
Wie sal met my: Maar neen; ick stutt mijn clagt
En swijg, want so viel my daar in gedagt;
Leydt Christus u in Glory my in Graty,
So is maar tusschen u en my wat spaty.