Can oock gesongen werden als Ps.117. en 127.
I.
WAt voert de lieve Morgen-stond
Hem leckernyen in den mond!
Die sonder lust tot leckerny,
En sonder sugt na staat off eer,
En sonder sorg voor altijd meer,
Altijd leeft aller sorgen vry.
II.
Te nagt bedeckten hem gewis
De vlercken van de duysternis,
En braken sijn vermoeytheyd aff:
De wijl de heylig' Eeuwigheyd
De vleuglen van voorsienicheyd
(In 't schut der Englen) om hem gaff.
III.
Sijn leden door zijn arbeyd moed
(Dien hy gewillig sorgloos doet)
De nagt, de rust, de slaap verquickt;
Dewijl geen droom van Tessel-scha,
Of vrees voor Groter-ongena
Sijn dunne slaap steurt, of verschrickt.
IV.
Hy vreest niet dat hem 'tampt met smert
Ontkuypt, of ondercropen werdt,
Die 't ampt niet, maar dien t'ampt behoeft.
Hy vreest niet dat sijn naam of eer
Door clapperts wert ontrooft, dien meer
Het smaad'lijck, dan de smaad bedroeft.
V.
Hy vreest nog schrickt voor Roverij,
Door listen nog bedriegeij,
Nog voor een dubbel-diepen treck
Van Gierigaarts, en Woeckeraars;
Nog voor sijn handel vol gevaars:
Dien Schatt en Gout niet is dan dreck.
VI.
Ontwakend eer de sonne rijst
(Want hem nog spoock nog duyster yst)
Reyck-halst hy na des werelds Oog;
Dat hem in 't onbedwelmt gesigt
Niet is dan door-en-weer-door Ligt,
En rijsend ligtt sijn hert om hoog.