Skip to content
1676

Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen

Jodocus Lodenstein

Te singen als, Hertcnagend &c. siet bov. p. 30. I. DAar stond de Son, en maackte desen dag Doen ick ten duyster uyt, dit ligt eerst sag; En, als ik riep, mijn Schepper maar mijn grond Verstond. II. Dat schone ligt rees daag'lijcks vroeger op, En, moed' van winter-rust, steeg na den top, Om op te wecken, boom, en gras, en cruyd,En spruyt. III. En riep dat kindje toe in lugten taal; Slijt niet uw tijd in rust, en slaap. mijn straal (Siet) gaat u voor! wil op! en sijt (ick daag)Niet traag. IV. 't Is tijd dat gy u spoeyt ten top-punt: want De godloosheyd op eerd neemt toe, den brand Van liefde flauwt, die sig (daer 't al bevriest)Verliest. V. 't Is tijd nu 't alles dor staet, dat het cruyd Van 's Hemels Hoff weer leven crijgt, en spruyt, Sig open, groent, en bloeyt, en vrugten heeft,En geeft. VI. Maer sult gy 't leven doen, leeft gy eerst self. Siet daar verschijnt een Ligt aan uw gewelf Dat warmt en kragten geeft; uw ware Son,En bron.

VII. Gaet in dien duyster, daar Godt is; hy wil U (niet van Synai, maer Syon) stil In lieve graty-heyligdommen doenBevroen VIII. Wat Gy sijt, en wat Hy is. dat gy niet Dan stoff en asch, en sondig sijt: 't gebied Van wil en lusten altijd heyleloos.En boos. IX. Dat Hy d' oneyndig' Onbegrijplijckheyd En aller heylicheden Heylicheyd, En aller wijsen Wijsheyd is, een wolck,Een kolck, X. Een grondelose diepte van den Raad Daar mensch en engel eewig stom voor staat, Een Billijckheyd, een Goedheyd sonder feyl,En peyl. XI. Een onfeylbare Waarheyd, die nog kan Nog wil bedriegen, eenig Oorspronck, van Dat is, dat was, dat wesen kan, of sal,Het Al. XII. Die al wat heerlijckheyd het schepsel heeft In sig bevat, om dat gy 't selve geeft: Een Wil, die 't al oneyndig wijs, en goedSelf doet. XIII. Op dat gy in dien grondelosen kolck Van eeuwigheyd verdroncken, 's hemels volck Dat salig Al-genoeg voor 's werelds NietAan-bied't,

XIV. En 's Hemels Heerschappy de wereld door Stand grijp', als sig het reedlijck schepsel voor Die Wijsheyd, Algenoegsaemheyd, en MagtVeragt. Ruste XV. Mijn siel! hoe dickmaels liep des werelds ligt (Als nu) ten top, en spelden u uw pligt? En nauwlijcks 't rijsen uyt de winter-rustU lust. XVI. 't Is dunckt my altijd winter met u: want Uw hert is als een stijf bevrosen land Uw spruyten dorr: hoe soud by andere Groenen doen? XVII. Wil op! wil op! daar gaat de son u voor; Ryst uyt uw winter-rust, en breeckt eens door: Op u (siet daar) staat 's Hemels gunst, en kragtEn wagt. XVIII. Sijn eygen soon sendt Hy u in't gemoet, Die met uw vleesch gepaart, uw schulden boet, Stilt 'sHemels toorn, en noodt u toe- (in vre'en)Te tre'en. XIX. Gaat dan! gaat dan! ter Onbegrijplijckheyd Ter eyndelosen glansch, ter Heerlijckheyd, Ter Algenoegsaamheyd ter eeuw'ger MinEens in. XX. Versaackt al wat gy kendet by dit Ligt; En kent maar Dees in Jesus Aangesigt. Begeert niet anders, want hier is uw lustGeblust.

Uw eyndelose lust vint hier een paal: In dit schoon, is 't begeerlijck' altemaal: Dat u geen sigtbaarheyd na dees bedrieg,Of lieg. XXII. Uw wil leert willen wat dees wille wilt; So raken al die stormen eens in stilt'. 't Is al wijs, sat hy wil; en wat hy doet,Al goed. XXIII. Hoe ydel was mijn oogmerck veel voor heen! Nu sal 't my 's Heren glory sijn alleen; Als ick nog eer, nog gunst, nog watmen agt,Verwagt. XXIV. Dan sal ick oock het uytverkoren volck, Ter Duysternis daar Godt is, tot dien kolck, Dien bron van eyndelose saligheenDoen treen. XXV. Dat sal my sijn een godlijck jubel-jaar, Om Gode een rusten land te braken, daar Sijn Heerlijckheyd, en 't Heyl der sijnen uytOnt-spruyt. XXVI. Dan sal my 't jaar so schigtig niet meer vlien: Maar dit onwisselbaar een schets doen sien Van d' Eeuwicheyd, tot ick in 't sonder endBelend.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen · Jodocus Lodenstein · Poetry Cove