Op den trant: Uyt mijnes herten gronde, &c.
1. ONs Vader! die de hoogte Der Hemelen bewoont! U magt in diept' en droogte Ter hulp van d' uwe toont' Uw kind'ren hoort, die nu U Al,
haar Niet beseffen; En (Hemels Vader!) heffen Haar herten wilt tot u. II. O Heerlijck, Heylig Wesen! Alleen al-weerdig Heer, En aller menschen vrese, En aller scheps'len eer! Ons hert, ons tong, ons pae'n Wilt leeren, leyden, mennen, Dat wy uw Hoogheyd kennen, En and'ren doen verstaan. III. O Magtig, Eeuwig Coning! Die nu goed-dadiglijck Den mensch maackt tot uw woning In 't nieuw genaden-rijck: Dat, Coning, ons uw Leer, Dat ons uw Geest geleyde; Uw Rijck al om verbreyde, En Satans werp ter neer. IV. On-wraackelijcke Wijsheyt! Vol goedicheden, die Ons dwase wille wijs leyt: Uw will' alleen geschie. Uw will' in tegenspoet Leert ons geduldig dragen, En prijsen uw behagen, Wat Aard' of Hemel doet.
V. O Vader, en Behoeder Van wat op aarde leeft! Ghy geeft het vee sijn voeder, Ons spijs en cleding geeft: Huys, Vrienden, rust, en Vreed, Gesontheyd, spoed'ge wegen, En over al uw segen, En vergenoeging meed. VI. Barmhertig en lanckmoedig O Vader, is u naam: Om Christi lijden bloedig Neem al ons schulden t'saam, Vergeefts' ons goediglijck, Die na u Wil vergeven Wat menschen ons misdreven, Al was 't boosdadiglijck. VII. Als Vader, Hoeder, Borge, Die sonder sluymer waackt, In swackheyd voor ons sorgen Wilt, als den Vyand naackt. Leert ons sijn pogen sien, Tot wat onheylicheden Hy nodigt siel en leden, En al sijn stricken vlien. VIII. Want, Vader, gy waaragtig Ons Coning sijt en Heer, Die aller dingen magtig Ons hulp rigt tot uw eer. Als gy dan Goedig sijt, En Magtig so een hoog werck, En is u eer u oogmerck? Heer so geloven wy 't.
Cookies on Poetry Cove