Te singen als, Hertcnagend & c.p.30.
I.
DE lage Son, mijn Vriend, ontreckt my bloem
En loof ter cransen; weygert my den roem
Van 't waardig hooft te cieren met het spruy-tend' cruyd:
II.
Die Hy N.N. Die alles bouwt, en ciert,
En draagt, en 't hert in breydel houdt, en viert,
Maack 't heylig breyn van ongemene glans Een crans:
III.
Een crans; daar op wel diep geschreven staan
De jaren die thans sijn voor-by gegaan,
Die on-herroep'lijck ylden en geswind;Als wind:
IV.
Gesneden sijn met d'onweerhoub're griff
De woorden welckers ongesielde riff
Gehoort is, en wiens keest vrugtloos, so 't scheen,Verdween:
V.
Geprentet sijn de schricken van dien dag,
Wanneer den Regter met een streng gesag
Sal reeck'ning eyschen van ons doen en tijdVerslijt:
VI.
Gemaalt sijn, en na 't leven afgebeeldt
Die eyndelose Saliche'en, en Weeld
Die 't honck'rend hert hier soeckt met alle list,Maar mist:
VII.
Geschildert staat, en levendig vertoont
't Oneyndig jammer dat daar onder woont,
Daar 't grootst getal der menschen boetloos sugt,En dugt:
VIII.
Getekent hangt dien Godt-Mensch welckes bloed,
En traan, en wond, daar schrijft en roept sijn gloed
Van Liefde; tot hem 't hert (dat aamloos hijght)Ontsijgt.
IX.
De telgen sy elck onverjaarde deugt;
't Verciersel yver; d' omloop ware vreugt;
Den Grond dien wijsen Raad die Gods woord heeft,En geeft.
X.
Alwijse Godt! Die self de naam van Raad
Bemind en redt der Radelosen staat:
Gedugte Godt! geeft N.N. altijd RaadEn daad.