I. Hert-sterckte in Jehova. Op 1.Sam.30:vers.6. Te singen als Onherroepelijke Jeugd! Of: Gavotte. A la fronté.
I. SOet Geselschap dat met my 's Hemels Heerscher vry en bly Pleegt te loven met gesangen In't gesegend Vaderland; Nog en swijg' ik niet gevangen: 's Hemels Geest en ken geen band.
II. 's Hemels Geest te dieren pand 's Hemels Geest en kent geen band. Hoor des Heren Lievelingen Paulus en sijn Met-gesel In de wreede Boeyen singen: 's Hemels geesten kent geen quel. III. Israël in Babels dwang Weygerde ('t is waar) den sang: Want men vergde 't Heylig singen Onder 't Goddeloos gejuyg; Dies sy liever treurig hingen Aan de wilgen 't Vreugde-tuyg. IV. Maar en is niet 's Hemels Oog Off wy laag sijn, even hoog? Sitten wy in treurig duyster, Nog behoudt dat eeuwig Ligt Al sijn glansch, end al sijn luyster, Weerdig al ons Loff en digt. V. Wis den Hemel is het all- Weerdig, en wy niet met al. Mag die maar in Glory blincken Doe Hy dan vry dat Hy doet, Of wy drijven, of wy sincken Wat Hy doet is even goed. VI. Wy sijn niet dan voor den Heer, En ons Heyl is in sijn Eer; En sijn eer in al sijn wercken: Als Hy ons dan sincken doet, Kunnen wy sijn lof maar stercken; Wat Hy doet is even goed.
Wijsheyd sonder eynd' of paal Sijn sijn wegen altemaal: Sijn sy suerheyd, sijn sy soetheyd, Laat ons altijd swijgen stil, Want de wesentlijcke Goedheyd Maackt het goed met dat Sy 't wil. VIII. Quaad! Segt somtijds ons gevoel, End' ons wijsheyd mist haar doel: Maar soo wy de reden sagen Waarom dus den Hemel koos, Bleeck ons wijsheyd was te traag, en All' ons sinnen sinneloos. IX. Vaack wy meenen 's Heren Eer Was op and're wijs veel meer Dan op dese, te verbreyden: En sy seylen in den vond, Om dat anders als wy seyden In sijn Raad geschreven stond. X. Ondoorgrondelijcken Raad! Daar maar enckel wijsheyd staat. On-naspeurelijcke Vonden! On-berispelijck Besluyt! On-bereyckelijcke Gronden! On-uyt-sprekelijck Beduyd! XI. Raad, waar door den Hemel staat En der Aarden wigt, en maat Over-cundig uyt-gevonden Over-constig is gestelt, En verordent sijn de stonden, En de Sterren all' getelt.
XII. Raad, waar na den Hemel sweeft, En sig voegt wat is, of leeft: Die de raderen en snecken Van dit magtig uyr-werck drijft: En besorgt dat geen gebrecken Sy, of yets te rugge blijft. XIII. Raad, ons Min soo weerdig wis Als de Goedheyd selver is. Wie soud' oyd om eygen voordeel Wenschen dat dien keten brack? Of dat schatten in sijn oordeel Ligter dan sijn ongemack? XIV. Nutter ging dit gantsche Rond, Dan een myt daar van, te grond. Daar (dunckt my) verliest sig alle Vryheyd, Vrienden, Rijckdom, staat; Laat het sincken, laat het valle' Als maar desen Raad bestaat. XV. Soet geselschap! Buygt uw knien, Dat den Hemel 't ons doe sien, En ons wille doe verdrincken; Tot wy met verwondering In dien Ocean versincken, En vergeten alle ding. Op 't Fort Nieuw Rees 28. in wintermaand 1673.
Cookies on Poetry Cove