In de wedercomste op 't uytpompen van 't water.
SChrickt so niet; want al dat tieren
En dat rasen is geen nood
Want Matroos, (Om 't schip te vieren):
Pompt het water door de goot.
Watte dingen! 't kan gebeuren
Dat als yets ons wedervaart
't Schijnt wy hebben re'en te treuren
Tot ons hert sig maar bedaart:
Dan beginnen wy te mercken
Dat het selfde datmen vreest,
(Want so wonder can Godt wercken)
Oorsaack is van vreugd geweest.
Oh! mijn siel! sijt altijd stille
Werpt u self, en sorg op Godt
Hoe de saacken vallen willen,
't Argst can sijn uw beste lot.
Want wy sien maar in sijn wegen
't Uyterst en het minste deel;
Sijt can nergens in verlegen,
Voor gy siet sijn werck geheel.