I. Rust.
VII.
So breeckt door al mijn duysternis,
(Daar in ick 's Hemels gunste mis,
En af-dwaal van des Levens Bron)
Door al mijn hersenlose rêen,
So breeckt door al mijn dwaasheyd heen
Mijn Jesus, denck hy, als die Son
VIII.
Mijn Jesus, als de Son ontdeckt
Het vuyle dat mijn hert bevleckt;
En doet my sien des Hemels gunst:
En dat mijn wijsheyd, dwaasheyd wis,
En 't geen my dwaas scheen wijsheyd is:
Ia toont my al mijns vyands kunst.
IX.
Die Mergen-Son te schonen schijnt,
Om dat op sijne comst verdwijnt
De logge slaap, de lossen droom:
Mijn Jesus met sijn opgang breeckt
Den sluymer daar de siel in steeckt,
En weck haar leden laff en loom.
X.
De slapend' ongevoelijckheyd,
Het reedloos dromend onbescheyd
Weert Jesus met sijn Sonne schijn;
En toont ons dat al swerelds schoon
Van lust, magt, pragt, ja Conings croon
Schouwspelen slegs van dromen sijn.
XI.
Hy siet in 't ligt ten morgenstond
Het Heerlijk dat hy nergens vond,
Het Oog des werelds open gaan:
En vat in Jesu vol gena
Een schoonheyd sonder wederga,
Daar lust, en rust, gerust op staan:
XII.
Een Schepper van al 't Herelijck,
Een Coning van der Englen rijck,
Uyt liefd en nedricheyd, een mensch;
Het lichaam van all 't hoge schoon,
Van Priesters-Ephod, Conings-croon;
Des werelds enig Heyl, en wensch.
XIII.
Sijt welcom lieflijck Morgen-ligt
(Seyt hy) in 't nieuw-ontwaackt gesigt:
So sie ick (als de schaad'wen vlien)
Mijn Heer met nieuwe cragten van
't Herschapen oog, dat altijd can
In Jesu nieuwe schoonheyd sien.