Voyse: Petit Bordeaux.
I. A. WIe sleet heugelijcker dagen Dan Hy, dien
den Hemel mint? B. Die een Hemel-vreugd voor clagen En voor dagen Eeuwen vindt. A. Als de Heer sig t' onswaard voegen Comt in liefden, is 't verdriet End' ons clagen maar genoegen. B. Maar nog ist het eeuwig niet. Maar nog ist het eeuwig niet. II. A. Salig ismen hier in hoopen Watmen siet, of watmen voelt. B Om 't besit dient nog met lopen, Arbeyd, moeyt, en sorg gewoelt. A Maar de liefde maackt my 't ploegen D' arbeyd, moeyten en verdriet, (Om mijns Heren wil) genoegen. B. Maar nog ist het eeuwig niet. Maar etc. III. A. Hier is 't Ligt ons salig leven, 't Ligt dat ons de Godtheyt toont. B Wat sal 't Ligt een leven geven Daar de Godtheyd Heerlijck woont? A. Hier vervult het hert en cragten. B. Daar is 't Hert een ruymer doos. A. Maar wat soud ick grooters wagten!
Dat het werde tijde-loos.Dat het etc. IV. A. Iesus heeft my sig verworven: 'k Ben de sijn: wat wensch ik meer! B. Dat ick alles afgestorven Leefde maar tot Godes Eer. A. Met sijn dood ben ick begraven: In sijn minnelijck gebied Ist mijn Heyl voor hem te draven. B. Maar nog ist het eewig niet.Maar etc. V. A. Hier is my een Vreugd 't genieten Van de Godt-verligt'de schaar. B. Daar 't genot van die Godt siet,en Sonder vleck is, Hemel-claar. A. Hier sijn my tot lust de woorden Wt den Hemel neer-gedaald. B. Daar is 't wesentlijcke Woord, en 't Ligt dat in de Siele straat.'t Ligt dat etc. VI. A. Hoger heyl ik niet en kenne Dan te dienen desen Heer: Als ick my aan hem gewenne Dats mijn schat, mijn lust, mijn eer. B. Maar of eens uw siel geraakte In der Eng'len rey: en seyd Met de sielen der Volmaakte Vleckloos loff in eeuwigheyd?Vleckloos etc. VII. A. Maar hier leert de liefde strijden Voor hem dien de Liefde deed Vloecken dragen: Liefde-lijden Is der Sielen Vreugd en vreed. B. Daar en is geen Liefde-lyen, Dat is waar, maar Liefde-vreugd. Beyd is een; want wil-vertyen
Maackt van Lust of lijden deugd.Maackt etc. VIII. A. Hier vermeld ick 's Scheppers grootheyd. B. Daar werdt anders niet gedaan. A. Hier aan 't volck dat blind en dood leydt. B. Daar aan sulcke die 't verstaan. A. Hier en digten wy maar sangen. B. Daar geeft 't herte lied op lied. A. Hier ons Heyl is in 't verlangen. B. Daar in 't geene men geniet.Daar int' etc. IX. A. Hier wy voegen hand aen handen En wy stutten die vertraagt. B. Daar is Iesus aller band, en Aller stutt: dat niemand claagt. A. Daar den top is van genaden. B. Hier 't begin van Heerlijckheyd. A. Hier wy loven vroeg en spade. B. Daar ins Salige eewicheyd.Daar in etc.
Cookies on Poetry Cove