Te singen als Onder de Linde groen, daer &c.
I. ALmagtig Vader lief! die my van kinds been aan Hebt in sorgen opgevoedt, En van ongeval behoedt, En op u leerde staan. U heeft mijn jeugdig hert Gelieft, gedient, gevreest: Gy sijt Heere van mijn sin, Gy den doele van mijn min Alleen altijd geweest. Noyt en heeft mijn vryery, Noyt der
menschen vlyery, Noyt de vuyle lust, Noyt de leuye rust, Noyt de hovaerdy, Noyt de leckerny, Haar Heerschappy gelust. II. Als my een dertel mensch van wulpse minne sprack; Vader uw opregte min Toomden al mijn togten in, En niemand dien toom brack. Als my het boose vleesch tot vuyle lusten ried, (O! gevarelijcken strijd, Die de ziel van binnen lijdt!) Mijn wil en woud het niet. Want uw Schoonheyd boven all, Uw weldaden sonder tal, Uwe lieflijckheyd, Al-genoegsaamheyd, Naam als Oly goed, Woorden Honig-soet Sijn in mijn hert gespreyt. III. Om dat uw wijsen raad my, Vader, had bereyd Na de wijs van alle vleesch, Was ick in een stage vrees Dat my de lust mis-leyd. Mijn teer' en stille jeugd had rijper raad van doen, Om in dees fenijnig' eeuw Tegen Tyger, Beer, en Leeuw d' Onnoselheyd te hoe'n. Als dan Ioseph (mijn genood, Mijn sijn kuysche minne bood; Koos ick hem ten Heer, Om mijn Kuysheyd teer
In een reynen Egt, Na uw wil geregt, Te hoeden voor on-eer. IV. Mijn Ioseph heeft my lieff, en ick mijn Ioseph weer: Liefde-band van mensch en mensch, 't Saam-gevoegde sielen, wensch Ick, en in d' egt niet meer. Uw Algenoegsaamheyd my dus behoeden wilt. Ioseph is Maria's rust, En Maria Iosephs lust, En Gy ons beyder schild. Alder-soetsten Menschen-min! Na des Hemels reynen sin, Daar bevallicheyd, Daar lieftallicheyd, Daar getrouwicheyd, In de Suyverheyd Den grond van 't Huwlijck leyt. V. Maar weynig dagt mijn siel, dat 't ongeschapen Ligt, 't Onberispelijck beleyd Sig in mijne duysterheyd Een woning had gestigt: Hy woud den armen mensch besoecken van om hoog, End' om 's Hemels wel-gevall Wt te voeren in dit dal, Hy lugt en wolcken boog; En quam dalen in mijn schoot: So quam 't leven in de doot, En nam uyt mijn vleesch Dat ons siel genees', En nam uyt mijn bloed Dat ons siele voed'; Dus mensch uyt mensch verrees. VI. O! onbegrijpelijk, en grondeloos besluyt! Die den Hemel heeft gemaackt My (sijn nedrig schepsel) naackt, En kiest my tot sijn bruyd! My dunckt die woorden van dien Hemelschen gesand
Klincken my nog in het oor, Als hy my begeerde voor Dat uytverkoren pand; Dat begoeded met gena Soud beswangert sijn, en dra Baren 's Hemels soon, Die sijns Vaders throon, Die sijn eeuwig deel Laten soud, en heel Weer erven tot sijn loon. VII. Ick groet u, Hemeling (seyd hy) verkoren Maagd! Aller Vrouwen Heerlijckheyd! Die de vrye Goedicheyd Des hemels hebt behaagt. Vreest niet Mary, die gunst in 's Hemels ooge vindt: Doe' de Maan sijn ouden keer Drie drie-maal, dan com ick weer, En gy gelegt van kind. Iesus noemt sijn Naam: Die is, Was, en wesen sal gewis Gods Soon wesentlijck; End in Davids rijck Maackt Israel vry Wt sijn slaverny, End hoedt hem Eeuwiglijck. VIII. So hoog een groet te steyl was voor de lage tent Van mijn hert, dat, sig gelijck, Altijd van sig nedriglijck Te dencken was gewent. Ick ruymd'et door 't geloov op 't onfeylbare woord, Vragend' in verwondering, Hoe een Maagde-boorteling Con comen ten geboort? 's Hemels Geest sal van om hoog (Seyd' hy) slaan t Almagtig oog Op uw Nedricheyd: En uw reynicheyd Dragen doen ten leen 's Hemels heylig Soon Veel' eeuwen toegeseyd.
IX. Mijn still' gelatenheyd seyd' niet dan, Siet uw Maagd! Heer: uw wil is altijd goed, End' uw woord waragtig: doet Met my als 't u behaagt. Wat can 't geloov niet al, als 't stille liefde draagt! Heyl uyt hopelose nood; Elders 't leven uyt de dood; En hier een Vrugtbre Maagt. Nu sal d'onbevleckte Ieugt Sich voortaan in Minne-vreugd Gaan vermaken: want 't Overdiere pand Dat ick nu verwarm Valt my haast in d' arm, En steeckt mijn hert in brand. 25. Lou-m. 1669.
Cookies on Poetry Cove