Te singen als: Dovene vay &c.
I. AH! herte vol benauwtheyd! Dat's levend sterven! Dat's levend sterven! Dat's levend levend sterven! Mijns herten Grond-slag, Die 't hert ten grond sag, Mijns levens leven Heeft my begeven: Dat heerlijck Aansigt, Een Son by 't Maanligt, Dus heen! dus heen te gaan? Dus heen! dus heen te gaan? Dus heen! dus heen te gaan? Dat's levend sterven. II. Ick was wat aan het sluymren,
O! diere slaap-sugt! O! diere slaap-sugt! O! diere, diere slaap-sugt! Hy clopt', en riep nog: Ick hoord', en sliep nog: Sijn woorden schenen Door dampen henen, Door damp van lusten En sorg-loos rusten Hy trock sijn hand te rug, Hy trock sijn hand te rug, Hy trock sijn hand te rug, O! dierbre slaap-sugt! III. O! arger Rust dan onrust! Gemack te dierbaar! Gemack te dierbaar! Gemack, gemack te dierbaar! In dons gesegen Lag ick, als regen En dauw Hem deckten En Hy my weckte. Een weynig reckens (Dagt ick) en streckens En laas! Hy trock te rug, Hy trock sijn hand te rug, Hy trock sijn hand te rug, Gemack te dierbaar! IV. Ah! 's vleeschs bedriegeryen, Ah! toveryen! Ah! toveryen! Ah! 's werelds toveryen! Ghy hebt met logen Mijn siel bedrogen: Gy troont ons vreedlijck,
Maar loont ons wreedlijck: Voor wat gevoelens, En ydel woelens Is nu mijn Leven heen! Is nu mijn Leven heen! Is nu mijn Leven heen! Ah! toveryen! V. Hoort nog een woord mijn Leven! Mijn Heyl! en vlugt niet! Mijn Heyl! en vlugt niet! En vlugt, mijn Heyl! en vlugt niet! Dat gy my radet Heb ick versmadet 'Tis waar; maar draag het Nu, en beclaag het: Ey! siet mijn oogen Die 't hert u toogen? En keer! ey! keer weerom! Ey keer! ey keer weerom! Ey keer! ey keer weerom! Mijn Heyl! en vlugt niet. VI. Wat geev ick u mijn Heyland Tot ons bevreed'ging? Tot ons bevreed'ging? Tot ons, tot ons bevreed'ging? Is uw vergrammen Met duysend rammen, Met oly-stromen Wel in te tomen? Ia met mijn leven? Ick woud 't u geven. Uw eygen dierbaar bloed Uw eygen etc. Is mijn versoening.
VII. 'k Beswijk van lange wagten! En kan niet langer, En kan niet langer, En kan, en kan niet langer! Mijn oogen wijcken, Mijn le'en beswijcken, Mijn voeten moe-gaan, Mijn keel wil toe-gaan; En 't werd nog banger! 'k En can niet langer! Ay my! daar sijg ick heen! Ay my! daar etc. 'k En can niet langer. VIII. Ick hoor u wel mijn Leven, Maar sie u niet: waar? Maar sie u niet: waar? maar sie u niet: waar sijt gy? De duysterheden Van lust, en reden, Die heerlijck schijnen, Doen u verdwijnen, En my alleen staan! Wat moet ick heen-gaan! Ey! vat myn hand eens aan, Ey! van mijn etc. Mijn Heyl waar sijt gy? IX. Hoort, Zyons diere kind'ren, 'k Betuyg en sweer u, 'k Betuyg en sweer u, 'k Betuyg, 'k betuyg en sweer u Laat mijn beminde Sig van u vinden? Ey! seg, ey! seg dan
Dat ick hier leg van Sijn min in pijne, En vast verdwijne; 'k Ben cranck, 'k ben cranck van liefd'! 'k Ben cranck, 'k ben etc. Betuygt en sweert dat. X. Moet ick Hem dan nog derven? Ah! pijnlijck derven! Ah! pijnlijck derven! Ah! ah! ah! pijnlijck derven, Soo vindt mijn herte, Vermaack in smerte, In traan genugten: En sal met sugten Soo lang ick leve, Hegt aan Hem cleven: En sterv ick, sterv ick dan, En sterv ick, sterv ick dan, So sterv ick sterv ick van Een Hemelsch liefde-vuyr. XI. Noch weet ick raad ten leven: Ick sal in 't peynsen, Ick sal in 't peynsen, (O cragtig cragtig peynsen! Vol Hemel-vreugden) Om al sijn deugden En schonicheden Mijn ziel besteden; En, wil 't my lucken, Die in my drucken: Sulcken peynsen is mijn Heyl, Sulcken peynsen is mijn Heyl, Sulcken peynsen is mijn Heyl! O cragtig peynsen!
XII. Maar magteloose siele, Wagt op den Hemel, Wagt op den Hemel, Wagt op wagt op den Hemel, Tot die sijn stralen In u doet dalen, En door sijn luyster, Uw hert ont-duyster; En door uw' dencke', Sijn beeld u schencke. Dat beeld, dat Hemels beeld, Daar God ons Hert meed steelt, En Sig u mede-deelt. Sal u genoeg sijn. 4. Herfst-maand 1664.
Cookies on Poetry Cove