Wijse: Or nous rejouissons &c.
I. DEn Hemel is ons vreugd, Den Hemel ons
verheugt Met Algenoegsaamheden! Sendt Here wat gy wilt, Ons hert heeft altijd stilt', Ons siel eeuwige vrede. Den lang-gedreygden duyster Van rampen comt vast aan: De lang-genoten luyster Van spoed wil onder gaan. Den Hemel is het Ligt Daar alle glansch voor swigt, Het ligt van eeuwig wel-sijn: Hoe soud een wolck een damp Van tijdelijcken ramp Ons rampsalige quel zijn? II. Den Hemel is ons vreugd Den Hemel ons verheugt Met Al-genoegsaamheden! Sendt Here wat gy wilt Ons hert heeft altijd stilt', Ons siel eeuwige vreden.
Geen vyand geeft de wonden ('t Was lijdelijcker leet) Maar 't volck aan ons verbonden In Waarheyd, Trouw, en Eed. Des Hemels diere Trouw Heeft nimmermeer berouw Staat op onfeylbare eeden: Ons vyandschap in 't bloed Van Godes soon geboett Brengt ons bondige vreden. III. Den Hemel is ons vreugd, Den Hemel ons verheugt Met Algenougsaamheden! Sendt Here wat gy wilt Ons hert heeft altijd stilt', Ons siel eeuwige vreden Wy sien haar handen grijpen Naar al ons have en goed, En ons den armoed nijpen Na so een overvloed. Wy missen 't alles stout, Den Hemel is ons goud Daar sijn ons diere schatten: (Hier is ons voor ons nood Genoeg belooft) dat brood Sal niemand ons ontvatten. IV. Den Hemel is ons vreugd, Den Hemel ons verheugt Met Algenoegsaamheden! Sendt Here wat gy wilt Ons hert heeft altijd stilt' Ons siel eeuwige vreden. Moet onsen acker dor staan:
En Boomgaard aan den quijn: Sal 't schaap niet weer ter schorr gaan; Ontbreeckt ons most en wijn. Den Schepper die 't gediert Dat door de dalen swiert Die most en wijn gemaackt heeft, Is spijs en medicyn, Is coorn en most en wijn Voor die sijn gunst gesmaackt heeft. V. Den Hemel is ons vreugd Den Hemel ons verheugt Met Algenoegsaamheden Sendt Here wat gy wilt Ons hert heeft altijd stilt' Ons siel eeuwige vreden. Als, wat wy dierbaar vinden, Ons al gelijck ontgaat, Ons have, goed, en vrinden, Daar 's werelds hert op staat: Ons herte-maker kent Sijn maacksels, en hy sendt Genougen in het herte; En dus Hy magtig maackt Dat wat ons lichaam raackt Ons sielen niet en smerte. VI. Den Hemel is ons vreugd, Den Hemel ons verheugt Met Al-genoegsaamheden! Send Here wat gy wilt, Ons herte heeft altijd stilt' Ons siel eeuwige vreden. Als ons de wrede crijgers Omringen, en den blick Van Half-ontmenschte Tijgers
Ons smelten doet van schrick: Dan sal des Heeren sorg Ons swackheyds wissen borg 't Geloovig oog ons claren, En om ons als een muyr Van ruyters, ja van vuyr, Doen sien Hemelsch scharen. VII. Den Hemel is ons vreugd, Den Hemel ons verheugt Met Algenoegsaamheden! Sendt Here wat gy wilt, Ons hert heeft altijd stilt', Ons siel eeuwige vreden. Want als de felle roeden Van allerley' ellend Op onse ruggen woeden: Den Hemel die ons kent Castijdt ons Vaderlijck, Om ons der sonden slijck Af-schuwelijck te maken; En oeffent onse deugd Om door de Deugd, ter vreugd En Heerlijckheyd te raken. VIII. Den Hemel is ons vreugd Den Hemel ons verheugt Met Al-genoegsaamheden! Sendt Here wat gy wilt Ons hert heeft altijd stilt' ons siel eeuwige vreden. Want als ons smerten hoog-gaan En grote maten vult, Dan oock ons deugden hoog-staan In onvermoeyd geduld. Den Hemel al de maat
Van Heerlijckheyd en staat Na moeyte en deugd gelijcken; Soo sal der menschen haat Ons heerlijcken door smaat; Ver-armend ons verrijcken. IX. Den Hemel is ons vreugd Den Hemel ons verheugt Met Al-genoegsaamheden! Sendt Here wat gy wilt, Ons hert heeft altijd stilt, Ons siel eeuwige vreden. Want als de Heylge bladen, Het Heylig Brood en wijn, En Die ons heylsaam raden Ons all ontnomen sijn: Dan sal het Eeuwig woord Gerugteloos gehoort Ons Leraar sijn, en hoeden: En 't Hemelsch Vleesch en Bloed Sal (sonder Brood) ons goed Ter Spijse sijn, en voeden. X. Den Hemel is ons vreugd Den Hemel ons verheugt Met Al-genoegsaamheden! Sendt Here wat gy wilt Ons hert heeft altijd stilt' Ons siel eeuwige vreden. Als Zyons juychend singen, Als Zyons Bede-sugt, Als Zyons gadering, en Als Zyon selve vlugt; Dan sal der Englen sang, Des Hemels Troost, ons bang Gemoed tot vreugde wecken;
Den Hemel in een feest Vergad'ren met ons geest, En 't Lam ten Tempel strecken. XI. Den Hemel is ons vreugd Den Hemel ons verheugt Met Al-genoegsaamheden! Sendt Here wat gy wilt. Ons hert heeft altijd stilt' Ons siel eeuwige vreden. Ia rooft de rasernye Ons leven in die nood, Dat is ons laaste ly'en En aller rampen dood. En aller rampen dood. Den Vader dan ons rust: Den Soon is onse lust: (Den Hemel onsen toegang) Den Geest met ons gemeen: (O Heyl'ge Dry-in-Een!) Der Englen Choor ons toe-sang. XII. O Heyl'ge Dry in Een! Ah dat ons eens verscheen Uw Al-vergoeden Aansigt! En dat ons oog by Son Verheerlijckt aan-sien con Dat wy nu sien by Maan-ligt! Dit is ons aller bede Dog maackt uw wil geen ijl, Nog sijn wy wel te vreden, En singen onderwijl, Den Hemel is ons vreugd Den Hemel ons verheugt Met Al-genoegsaamheden! Sendt Here wat gy wilt Ons hert heeft in u stilt' Ons Siel eeuwige Vrede. 29. in Loumaand 1665.
Cookies on Poetry Cove