Kan oock mede gesongen werden op dese wijse:
VErblijd, verblijd, u alle tijd, Dat is ons' eeuwige erven // Eeuwige erven, Getroost, en sonder vrees te zijn In leven en in sterven. Laat ons vrolijck sijn, Vrolijck, vrolijck, Laat ons vrolijck sijn, vrolijck sijn, Vrolijck sijn. II. Den Hemel wil, den Hemel wil Dat die hem dienen in deugden, dienen in vreugden; Dat is der Engelen eeuwige trant, Die sig in deugden verheugden. Laat ons etc. III. De vreugde deugd (de deugd weer vreugd) Het vrolijck hert maackt deugdig; maakt ons deugdig; Dat wet den Hemel daarom wil Hy al sijn dienende vreugdig. Laet ons vrolijck zijn etc. IV. Den Hemel gaat, de aarde staat So vast niet als dees vreugde // als dees etc.
Daar 's Hemels Soon ons sielen meed' Ons herten mede verheugden. Laat ons etc. V. Des Hemels soon quam uyt sijn throon Dien Hy van eeuwicheden // eeuwicheden Beseten hadd', en brat dit Heyl Dit Heyl van bovene mede. Laat ons, etc. VI. Het bloedig sweet, dat liefde deed 't Gesegend lijf ontvlieten, deed ontvlieten Deed ons voor d'ongemeten smert Dees salige vreugde genieten. Laat ons, etc. VII. Des Hemels gunst, Des Hemels gunst Om schatten niet te copen, niet te copen Comt als een Hemels water-val, Ons salig' toegelopen. Laat ons, etc. VIII. De sonden al, en sonder tal Sijn goedichlijck vergeven // al vergeven; Wij hadden de eeuwige dood verdient En crijgen het eeuwige leven. Laat ons etc. IX. Des Hemels Heer, ons schat en eer Gesontheyd, Rust en Vrede is // Rust en vrede; En hebben wy hier niet met al Met Hem sijn wy te vrede. Laat ons vrolijck etc. X. D'aard is ons, den Hemel ons, Wat soud' ons meer gelusten // Meer gelusten?
Dees aarde is ons een cort vertreck, Den Hemel ons eeuwige ruste. Laat ons vrolijck etc. XI. En mensch en vee // En Engelen mee, En voor- en tegenspoeden // Segen en roeden Laat werken, al so 't werken wil, 't Moet werken ons ten goeden. Laat ons vrolijck sijn etc. XII. Den Hemel self, dat schoon gewelf, Daar 't dag is sonder nagten // Sonder nagten, Is 't hoog vertreck, daar 't Engele-Choor Al singend' ons verwagten. XIII. Ons Vader leeft, die sig ons geeft En met hem alle dingen // Alle dingen, En segt ons noodtdruft toe, op dat Wy sorgeloos souden singen.Laat ons etc. XIV. Des Hemels Gunst // Leert ons de cunst; In 't cleynsten ons te ly'en, Ons te lyen: Dus sonder pragt, en overdaad En sonder leckernyen Connen wy vrolijck sijn etc. XV. Der menschen haat // Of nijd, of smaad En cunnen ons bedroeven, Ons bedroeven: Hebben wy maar des Hemels gunst, Niet anders wy behoeven, Laat ons vrolijck etc. XVI. Nog haar, nog nijd, nog wraack, nog spijt Ons tot haar oefening tronen // Tot haar tronen: Maar als wy met een lugtigen sin,
Het quaad-met goed-doen lonen Mogen wy vrolijck sijn etc. I. Ruste. XVII. MAar hola! maar! Wat hoor ick daar? Wat is het! schreien, of reyen // Schreyen of reyen? De wereld noemt het reyen: maar Des werelds reyen is schreyen.Laat ons etc. XVIII. 't Knetter-getier, van 't door'nen-vier Wy connen maar veragten // Wy veragten Schattend die vrolijcke dagen al Voor duyst're donck're nagten.Laat etc. XIX. Sy al de vreugt,En al 't geneugt Des Werelds opgelopen // Opgelopen: Nog wouden wy van d' onsen niet Een aas daar voor vercopen.Laat ons etc. XX. Haar singen al, Haar springen al Is huppelen na der hellen // Na der hellen: Haar glansch is glas, haar rust is roest, En haar queele, maar quellen.Laat ons etc. XXI. Begerig hert! Dat mager werd Door 't gieren na veel schatten,Na veel schatten, Dewijl gy onversadigt sult Na wind met sorrege vatten,Sullen wy etc. XXII. En als uw goed, Daar al uw moed Op stond, u in dit leven // Sal begeven, Den rietstaf breeckt, den rots beswijckt, Het herte de lendene beven, Sullen wy vrolijck sijn etc. XXIII. Dat droncken hooft, Van sin berooft,
Laat in sijn schijn-vreugd rasen // Tieren en rasen. Dewijl hy sieckt, en rolt en dolt, De wijsheyd in de glasen; Sullen wy vrolijck sijn etc. XXIV. Laat dollen cop, Sijn vollen cop Wt leed'gen met vermaken, Met vermaken, En dan wel droncken, roncken daar heen: Wy sulle wel nugtere waken. Laat ons etc. XXV. Geen stercken dranck, Geen roock of stanck Bedwelmen ons de sinnen, Ons de sinnen; Maar sijn wy droncken van Water en bloed Dan eerst ons sinnen beginnen. Laat ons vrolijck sijn etc. XXVI. Dien armen quant! Die slegte dant! Oh! oh! de dwase banden // Dwase banden Sijn haar om 't hert geslagen oh! oh! Wel latese clagen en branden. Lat ons vrolijck etc. XXVII. Wy weten hier Van min niet vier Behalven 't vier van boven // 't vier van boven Lieven wy Iesus, Hy lieft ons weer, Wy lieve, wy leve, wy loven. Laat ons etc. XXVIII. Hoe suftie daar; Hoe sal dat hayr Hoe sal den cronckel leggen? cronckel etc. Met hals, en rug, en arreme blood: Laat haar dat overleggen. Laar ons vrolijck sijn, etc. XXIX. Ons hoog gewaat // Naar onsen Staat,
En sijn geen diamanten, Diamanten: Maar 't Hemelsche ciersel van de Deugd Dat blinckt, aan alle kanten. Laat ons etc. XXX. Met danckbare oog, Wy sien, die hoog Geseten, sig besteden, T' onsen vreden, En als sy rusteloos waken voor ons Voor onse sorgeloosheden,Sullen wy etc. II. Ruste. XXXI. Den Leeuw en het Lam // Wt Davids stam Schepper en hoede der menschen, Hoede der menschen, Is (wy gelooven het) alles en wat Wy cunnen, of dencken of wenschen. Laat ons vrolijck etc. XXXII. Met dese lust // Met dese rust So vol van eer en staten // Eer en staten, So rijck beschattet, so wel vernoegt So weelderig uytgelaten, Sullen wy etc. XXXIII. Met dese spijs // Vol leckerny's, Met desen dranck beschoncken // so beschoncken, Met dese kost'lijckheden verciert, Met des gewaden aan 't proncken, Sullen wy etc. XXXIV. Als eens de wereld // Als eens de wereld Sig jammerlijck bedrogen // Sig bedrogen Sal vinden, al haar winst maar wind; En al haer liederen logen. Sullen wy etc. XXXV. Als eer en staat, En gunst vergaat;
Haar schat voor dief of mot is, Of verrot is; Haar Min met schoonheyds val vervalt; De wijse nu siet, dat hy sot is; Sullen wy vrolijck sijn etc. XXXVI. En als dien storm, Dien fellen worm Van 't wisse Gewis sal cnagen, Wis sal cnagen; De duyst're nare valeye daer is Het eynde der weelige dagen; Salmen dan vrolijck sijn? etc. XXXVII. Ons herte rust, Op schat nog lust, Op gunst, op eer nog staten // Eer nog staten, Wil 't blijven 't can, wil het vliegen het mag, Wy cunnen het hebben, en laten. Laat ons vrolijck etc. XXXVIII. So ons dit Goed, den Hemel doet Tot ons genot toe-vlieten // Tot ons vlieten: Wy geven 't Hem den dienste weerom En 't hem ter eere genieten.Laat ons etc. XXXIX. En neemt Hy 't weg, En neemt hy 't weg, Nog wy het duldig dogen // duldig dogen; Wy ligten ons dies te lugtiger op, En vliegen te vlugger om hooge. Laat ons vrolijck sijn etc. XL. In menschen-haat // In spot en smaad, In armoed' sober leven, Sober leven Is tijd'lijck hen die Coningen sijnd' Haar lust (dat sy wille) maar geven. Laat ons vrolijck etc. XLI. Het bang gemoed // Der hellen gloed
Het cnagen der gewissen // der gewissen, Can 't onweerdeerlijck Gode-bloed Besadige, vredige, slissen. Laat ons etc. XLII. Ia coom de dood // Ia coom de dood En laat ons, met dit leven // 't Al begeven: Die duyst're nare valeyen alleen Door wandele wy end' en beven. Laat ons etc. XLIII. Want in de dood,De bangste nood Is Godes soon ons 't leven // 't Leven het leven: Wy steecken 't hoofd ten Kerreker uyt Om boven de vlecke te sweven. Laat ons vrolijck sijn, Vrolijck, vrolijck, Laat ons vrolijck sijn, Vrolijck sijn, vrolijck sijn. 15. Slagt-maande 1662.
Cookies on Poetry Cove