Skip to content
1676

Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen

Jodocus Lodenstein

Stemme: Engels Lapper.

I. O! Utrecht! doe gy 't buyrige land Met crijg en vreemde gasten Beset saagt, wiens moordadige tand Oock u dreygd' aan te tasten; Wat was u't hert benaud en ang, Gy benaud en ang, Wat was u bang! Wat was u bang! Wat was doe 't hert u bang! II. Daar saagt gy 't branden op uw wal, En hoorden 't volck vast kermen, En spelden in haar val uwen val, Ia voelden 's in 't erbermen. Het mes u op het herte geset Op het hert geset En geen ontset // En geen ontset, En gy saagt, geen ontset. III. Graaf Hendrick woud in toorne trots Het Bossche leger breecken:

Maar stiet sig driemaal aan dien rots En liet dat werck daar steecken. Het slaap-loos oog dat het al doorsiet, Dat het al gebiedt En leed dat niet // En leed dat niet, En leed dien hoogmoet niet. IV. Bey, sey 't hovaardig hert, en can Ick 't hard hooft niet doen wijcken, So sal ick op de tree treden dan Dat hooft en Hert beswijcken: Prins Hendrick sal ick 't leger haast Ick het leger haast, Dat nu dus raast // Dat nu dus raast // Opbreken doen verbaast. V. Gaat Cayro, seyd hy dadelijck heen En opent my een toegang Door d'Isel; dat de Veluwe ween, En dat sy 't Princen toe-sang: Ick wedd' hy breeckt sijn leger los Sijn leger los, En vanden Bosch // En vanden Bosch En hy treckt van den Bosch. VI. Thans kiest het heyr de veluwe-sy Daar sy Graaf' Hendrick wagten, Daar voegde Montecuculi by, En Grav' Ian, 's Keysers Magten: Dies menig duysent Crijgeling 't Lieve land omving En inden ring // En inden ring Aan roov' en plundering. VII. Een degen van papier beclad Met fel-gedreygde schigten

De dubbelde-bemuyrde stadt Van Amers-fort deed swigten. Daar creeg den Vyand overvloed Van brood en moed, Sijn hoop gevoedt // Van brand en bloed En op ons' neck de voet. VIII. Het scheen den Hemel riep, Sie de roed Daar Neerland sijn de slagen Van 't Goddelijck gedult nu moed Uw stijve neck te dragen! Proeft nu en drinckt het bittere sop Het grondig sop Van 's Heren cop, Van s' Heren cop Van 's Heren gramschaps cop! IX. 't Bewuste hert erkende de schult Van sulcke herten-slagen: 't Langmoedig lang getergde gedult, Was nog niet moed van dragen: Dies sag op ons, maar Hy sag ons aan Maar Hy sag ons aan Als Isrel aan, In hete traan En nam ons' elend aan. X. Gaat boden, seyd hy, strax en geleyd Van Diedens Heyr sorgvuldig: Na Wesel, na dat volck dat schreyt, En lijdt het jock geduldig: Verlost dat volck, geeft hen mijn ligt, Dat het als een schigt Haar siel verligt; En 't land dat swigt, Toont mijn liev' aangesigt. XI. Sta! Dieden, Huygens, crijgeren sta! Den dag comt u verraden:

Ga! Dieden, roepen d' Engelen, ga! Voor Godt is niet te spaden. Siet daar ter stadt in opene baan Sie daar open paan! Val aan! Val aan! // Val aan! Val aan! Met Wesel ist gedaan! XII. Strax ging de faam het blijde gerugt Door land en steden spreyden. Den Spanjaart met een sugt ter vlugt Wt Amers-fort moest scheyden. Wy dagten, is dit droom of waar? Is het droom, of waar? 't Is twijfelbaar, 't is twijfelbaar, Tot den dag sey; 'T is waar. XIII. Prins Hendrick greep een niewe moed D' omringde Stadt te dwingen, Die viel eerlang den Staat te voet, Een niewe stof tot singen: De kercken deunden van den clanck Van het lof-gesanck, Van loff, en danck, Van lof en danck Ons' hert van loff en danck. XIV Loff! (riepen wy) sy God' die de saack So onverwagt kond keren! Veel liefelijcke woninge maack O! Neerland! hem ter eeren. Dat siel dat lijf, dat huys dat hoff Uwes Heren loff Des Heren loff, des Heren loff Verkondig 's Heren loff! Maack siel, en lijf, dat Mond en daad Dat u mond en daad

Dat Mond en daad Sing; en de maat In desen lof-sang slaat. 14. Oegstmaant 1659.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen · Jodocus Lodenstein · Poetry Cove