Stem: O Romen vol onreedlijckheyt, &c. Of: Als volght.
I. ON-nosel diertje! sprack u taal, U liefelijcke stemme-straal, Uw wijse treckjes altemaal: Wat wijsheyd soud gy ons, Wat wijsheyd soud gy ons al leeren? Wat wijsheyd leert gy ons dog niet? Nu 't Godlijck Woord-boeck van u lied Ons waarlijck wijs-maackt; en 't bedied Leert van uw lieflijck quinckeleren. II. Cleyn segt gy (Menschjes) ben ick: cleyn Mijn nootdruft is, en nesje reyn, En koos daar voor geen Conings pleyn, Want groter can ick niet Want groter can ick niet besitten. Mijn vol genoegen, mijn genugt Heb ick als d' ongebonde vlugt
Mag kiesen d' eyndelose lugt, En 't sonne-ligt my schenckt sijn' hitten. III. Laat d' Oyevaar, de grote Swaan Veel rijsen slepen af end' aan, Ick sal een vrolijck liedtje slaan Mijn Schepper onder dies Mijn Schepper onder dies ter eeren: Wat ben ick veler sorgen vry! Wat singt en springt mijn hertje bly! Ick werd benijd nog ick beny, En niemant steurt mijn quickelieren. IV. De sotticheden van uw breyn De soeticheden van het Cleyn Verwarelosen; om een pleyn Veel groter dan gy cunt Veel groter dan gy cunt besitten: Daar uw genoegen uw genugt Vind ruymer ligt, en ruymer lugt, Daar 't hert om 't eyndelose sugt, En branden can in Hemelsch' hitte. V. Siet (Mensch) met goeden oogen aan Dat sotten grote gangen gaan, Maar leert met my een liedtje slaan Ons Schepper, dien gy kent, Ons Schepper, dien gy kent, ter eeren: Wat waart gy veler sorgen vry? Wat song en sprong uw herte bly? Doe dog soo, of com (cont gy) my (Ick sal het doen) uw lof-sang leeren. VI. Dat soete beckje, 't pluym-gediert, Dat wuff van tackje op tackje swiert, Spelt vast mijn vonnis; dog bestiert
Mijn gangen oock, en ick Mijn gangen oock, en ick wil 't volgen. Weg! ydel eer, ondraaglijck pack! Gemack vol lastig ongemack! Weg! wigtig Goud! ick kies den tack Van 't heyl dat my heeft opgeswolgen. 11. Wintermaant 1659.
Cookies on Poetry Cove