3. Grootsheyd des Levens.
I.
WAar heen mijn hert? gy steygert niet, maar stijgt
En hijgt oock sonder trappen opwaarts: sijgt
Gemetlijck raad ick u, want so gy opDen top
II.
In vollen runn comt, en daar meent te staen:
't Sal wislijck tegen uwe mening gaan,
Want uwen drift drijft u op 't hoogste weerTer neer.
III.
En als gy dan aan 't rollen sijt: Oh! oh!
Uw vaart vergroot uw val: dies seg ick nog
Sta stil, en schouwt u self; ick wedd' gy sietEen Niet.