Skip to content
1676

Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen

Jodocus Lodenstein

Stemme: De Mey die comt &c.

I. A. DAar 's nu de soete tijdt! verblijt U die

des Heren henen gaan betreurt: 't Is lang genoeg het oog // om hoog Met sugten, siet den vasten Hemel scheurt; De wolcken druppen dauw; De troost u traanen lauw Comt lecken; en trecken uw herte soo seer, Den vloet van den Geest,, u siele geneest, Wat wilt gy nog meer? II. B. Mijn Hert, mijn Heyl wel eer // myn Heer Sig uyt mijn oog helas! vertrocken heeft. A. Hy heeft (sit stil) het oog // om hoog Op u die hier beneen verlaten leeft. B. Ick sie mijn Heylant niet: A. En of g' hem niet en siet! B. Wt d'oogen, helas! uyt het herte, en veerr. A. Is 't hertjen u schuw // Het sijn is tot u: Wat wilt gy nog meer? III. B Wat 't hert geneygt tot my // soud hy My dan verlaten, en dus henen gaan! A. Dus gaat uw Heylant heen // alleen Op dat uw hert na dees op hem souw staan, Uw herte door 't geloov.

B. Ah! waren mijn ooren dan doov'! En vlogen mijn oogen noyt buyten 't gebiet! En hoorden sy noyt // en sagen sy noyt, Dat anders my ried! IV. A. Uw dierbaar herte bewaart // en spaart, Het is gemaackt voor 't geen onsigtbaar is. B. Ey! wijck dan schepseltjes al // nu sal Het gaan tot hem die 'k uyt mijn' oogen miss. A. Maar daar is goud nog goud: B. In hem is overvloed. A. Dan mist gy de staat, en gunst en u eer. B. Sijn staat is mijn loon // Sijn eer is mijn Croon, Wat wil ick nog meer? V. A. Een vrugtbaar scheyden het is gewis, Daar 't dier geloof in plaats com van 't gesigt. B. Geluckigh scheyden het waar voorwaar, Had maar de siel genoeg van 't heylige Ligt. A. 't Gelove geeft ligts genoeg. B. 't Exempel miss' ick te vroeg. A. Gy siet hem door 't gelove.(B.) Sijn leer Was leven en keest. Nu doet het sijn Geest, Wat wilt gy nog meer? VI. B. Ah! quam dat cragtig gedruysch in 't huys Mijns heren, en het vier van 't Pinxter-feest. A. Sit stil, en neygt maar het oor // en hoor De cragt van 't woort de vlammen van den Geest. B. Wanneer?(A.) Als 't diere geloof U voor de werlt maackt' dooff. B. Wat vlam? (A.) Als 't vier van liefde so teer Uw hert in een gloet // weer flickeren doet; Wat wilt gy dan meer? VII. B. Ey! vraagt dat niet; ick wensch // dien mensch

Dat achtbaar beelt van Gods selfstandigheyt. Volmaackte en levende wet ,, die net Sijns Vaders wil uytdruckt, en ons daar in leydt. A. Die woont nu door sijn Geest In die sijn Vader vreest: Vreest hem. (B.) dat wil ick. (A.) Gelove dan weer! 't Gesigte bedriegt // 't gevoele dat liegt. B. Nu wensch ick niet meer. VIII. A. Nu sal van wijne soet, een vloed Joel.3.3.vers 18. 't Gebergt doen druppen, en van boter en room. B. Een spring uyt Iuda sal, het dal Van Sittim droog bewat'ren met een stroom. A. Hier 's dranck, (B.) Hier 's spijse, (A.) hier 's rust, B. Verquicking, A. schatten, B. en lust, A. Hier schoonheyt, B. wijsheyt, A. gunste B. en eer. A. Hier vrienden, en raat // B. hier Hoocheyt en staat, Beyde. Wat wenschen wy meer? 22 Maymaant 1659.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Uyt-spanningen, behelsende eenige stigtelyke liederen · Jodocus Lodenstein · Poetry Cove