Soet-voericheyd.
GRauw wil 't gemack in 't setten van sijn voeten,
Daar aan dees sy de weg geen ruymte meer
En heeft; en dus de wagen sulx sal moeten
Becopen, met ten dijck van boven neer.
Heer Ludewijck te recht getoenaamd Treed-sagt
Soud Land en Volck gebieden tot haar heyl
So Hy sijn sagten aerd niet al om meed-bragt.
Maar nu is Hem een heuveltje te steyl.
Hy siet wel, hoe men 't regt regt-uyt betragten
Moest, maar daar tegen so veel weder-stand,
En so veel onbevoeglijckheyds sijn sagten
Wis-tred, dat Hy het all' slaat van de hand.
En duldt veel liever s' volcx onregte schreden
Ten onheyl, dan Hy miste rust en vrede.