't Hoge-priesterlijk gewaad op Exod. 39.
DAer sie ick 't heylig Priesterlijck gewaad
Tot Heerlijckheyd en schaduw'lijck cieraad
So claar, en in so levendige beelden,
Of 't niet in 't oor, maar oft voor d'oogen speelde:
Daar d'Ephod met sijn pragtig toe behoord
Sijn band, sijn riem, sijn borst-lap en sijn boord.
Maar met ick daar van Borst-lap hoor vermelden,
Hoort wat den Borst-lap stommeling vertelden.
Daar waren al de namen ingebragt
Van yder stam in Israels geslagt;
So roupt ons Priester all sijn schapen t' smaen,
Hy rouptse maar hy rouptse by haar namen:
Daar stonden slegs de namen van Gods volck
Hy was slegs haar, en niet der vreemden tolck:
't Is Israel te voren, uytgetekent,
Die Hy nu draagt, en voor de sijnen reeckent:
DIe namen waren in een harden steen
Voor eeuwig onuytwisselijck gesneen;
't Is hard ons Priester sijn lieve panden
Geschreven in, te rucken uyt, sijn handen:
In dier Steen gevestigt in het Goud;
Segt ons hoe cost'lijck hy sijn schapen houdt:
Gebonden met vier ket'nen, dat sy cleven
Op 'thert; dat segt, sy sijn in 'thert geschreven.
Gedragen op sijn Schouders, als met Magt;
Segt stercke min, en minnelijcke cragt:
Die deed Hy aan en ging so binnen 't heyligen;
So doet ons Heyl om ons by God te veyligen.
Loumaand 1656.