Op 't Los-werden.
Dat is los? maar wat dit drayen
Twe of driemaal rond end' om?
'K sie't: de stroom het voorschip swayen
Deed' eer 't agter-schip nog swom:
Doen het los wierd moest het wenden
Watmen dee 't moest overstuyr
't Stiet met boomen wat ick kende,
'T hielp niet wel ontrent een uyr:
Daar na nam 't sijn cours 't ging heenen
Tegen wind en tegen stroom;
't Ging, maar 't ging met creuple benen,
't Ging, maar uytermaten loom.
Saal'ge sielen, als het vloeyen
Van Gods Geest u water geeft;
Gaat u strax tot wercken spoejen,
Toont dat Christus in u leeft.
Sijt gy nog niet heel aan 't drijven?
Laat niet rusten 't roerbre deel,
Nog 't begonnen werck daar blijven
Voor gy roert uw siel geheel.
Doet de vloed u dan nog swayen,
't Schijnt gy gaat een andren gang,
Weer en wind wil tegen-wayen,
Alles valt u even bang?
Werd niet flauw door 't hevig quellen,
Als gy maar sijt van de grond;
Maar gaat u ten arbeyd stellen
Trouw in die Genaden-stond.
't Sal nog seker, 't sal eens keren,
Gaat het oock voor eerst wat loom?
Blijft u na vermogen weren:
Bid om wind, en wagt uw stroom.