Aan my op mijne bedenckingen daar over, 24. Maert 1652.
'K Sag in uw hoogste nood geen meed'ly t'uwer baten,
'k Sag op een vuyle vlugt uw Jong'ren altemaal,
En hoorde Petrus vlouck by Cajaphas portaal,
En wist wel dat gy waart van yder een verlaten.
Maar nog en wist ick niet, O! lijden boven maten!
Dat gy verlaten waart van Godt in 's Hemels saal,
En van sijn liefde mogt genieten vonck nog straal;
Ten waar' uw eygen mond die clagt had uytgelaten.
O! Gods verlaten Soon! die my verlater Gods
met God weer hebt vereent, geeft my mijn rust, mijn rots
Geev my om uwent wil mijn liefste lust te laten.
Ah! liefste lust mijns Vleeschs, wat vleydt en smeeckt gy my,
Wat bedelt g'om een uyr my nog te blijven by?
Weg! leyder lieve lust! 'k moet lief om lieverhaten.